Een man is in 2020 100% aandeelhouder en bestuurder van een BV waarvan de activiteiten bestaan uit het verstrekken van juridische adviezen, het verlenen van rechtsbijstand, het nemen van incassomaatregelen en het voeren van administraties van derden. Voor de werkzaamheden die de dga voor de BV verricht ontvangt hij een loon van € 12.000,-. De dga is betrokken als verdachte bij een onderzoek van de FIOD waar hij onder andere wordt verdacht van het witwassen van geld. Volgens de FIOD is de BV in 2020 als carrousel gebruikt om via Belgische bedrijven, valse facturen en onterechte BTW-aftrek cash geld te genereren.
Bijtelling niet aangegeven
De dga gebruikt een Mercedes Benz die op naam staat van een andere BV waarvan de dga ook enig aandeelhouder is. Hij geeft de bijtelling voor het privégebruik van de auto echter niet aan in zijn aangifte IB/PVV over 2020 waar hij een verzamelinkomen van € 4.931,- aangeeft.
Bij het vaststellen van de aanslag wijkt de inspecteur af van de aangifte. Hij corrigeert het inkomen uit werk en woning op grond van artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964 met een bedrag van € 34.000,- (€ 46.000,- minus € 12.000,-). Daarnaast neemt de inspecteur een bedrag van € 25.000,- als extra inkomen in aanmerking, vanwege onverklaarde bankstortingen. De inspecteur schat het inkomen uit werk en woning op € 63.931,-.
In geschil voor de rechtbank Gelderland is de rechtbank van oordeel dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. En dat het niet aangeven van de bijtelling privégebruik auto al voldoende reden is om de bewijslast om te keren en te verzwaren. De dga heeft weliswaar aangifte gedaan maar niet de vereiste aangifte. De dga erkende dat hij geen bijtelling privégebruik heeft aangegeven terwijl dit wel moest. Op dat punt is er dus sprake van een gebrek in de aangifte.
Bewijslast is omgekeerd en verzwaard
De cataloguswaarde van de auto bedroeg € 89.353,- en daarbij is het in aanmerking te nemen percentage 22% waardoor de bijtelling op € 19.657,-uitkomt. De stelling van de dga dat sprake is van een zogenaamde ‘youngtimer’ slaagt niet, omdat de auto in 2020 niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen. Omdat de dga een bedrag van € 19.657,- aan inkomen niet heeft aangegeven is de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank acht aannemelijk dat de dga wist dat hij bijtelling voor het privégebruik van de auto had moeten aangeven, gelet op zijn professionele achtergrond.
Omdat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard is het aan de dga om aan te tonen dat de schatting van zijn inkomen door de inspecteur onjuist is geweest. Die schatting moet naar het oordeel van de rechtbank wel redelijk zijn. Het geschatte inkomen uit werk en woning van € 63.931,- is door de inspecteur gebaseerd op een gebruikelijk loon van € 46.000,- en een bedrag van € 25.000,- vanwege onverklaarde bankstortingen.
Gebruikelijk loon en contante stortingen
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 een aanmerkelijk belanghouder, die werkzaamheden verricht voor de vennootschap, een gebruikelijk loon in aanmerking moet nemen. Vast staat dat de dga in 2020 werkzaamheden voor de BV heeft verricht, waarvoor hij ook loon heeft ontvangen, en dat hij een aanmerkelijk belang heeft in deze BV. Dit betekent dat ten minste een loon van € 46.000,- in aanmerking moet worden genomen. Het is aan de dga om overtuigend aan te tonen dat moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon. De dga is hier niet in geslaagd naar het oordeel van de rechtbank.
Ook de correctie van € 25.000,- is naar het oordeel van de rechtbank redelijk geweest. Als alleen de contante stortingen van € 16.451,- en € 3.800,- en het voordeel privé gebruik auto (€ 19.657,-) bij elkaar worden opgeteld komt dat al ver boven de € 25.000,- uit. De schatting van de inspecteur lijkt dus eerder te laag. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de schatting van de inspecteur redelijk is. De dga heeft geen tegenbewijs geleverd, laat staan overtuigend aangetoond dat de schatting onjuist is en dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 te hoog zijn.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2025:10168


Geef een reactie