Een vrouw koopt samen met haar vader een woning waarvan zij met 90 procent eigenaar is. De koopsom van de woning, € 1.060.200,- financiert zij met een lening van haar vader. De woning wordt na aankoop verbouwd en de vrouw neemt 50 procent van de verbouwingskosten voor haar rekening. De vrouw bezit sinds 2013 aandelen in een BV en is voor de helft eigenaar van twee verhuurde panden.
Haar vader maakt een bedrag van € 40.354,- per jaar aan zijn dochter over en de vrouw trekt in de aangiften IB/PVV over de jaren 2017 tot en met 2019 de betaalde rente af als eigenwoningrente. De ontvangen bedragen bestaan volgens de vrouw uit dividend uit aandelen van de bv en uit huurinkomsten van de verhuurde panden. De inspecteur corrigeert de ingediende aangiften.
Omkering en verzwaring bewijslast
Hij stelt voor de rechtbank Gelderland dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat de vrouw de vereiste aangifte niet zou hebben gedaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bewijslast voor het jaar 2017 niet wordt omgekeerd en verzwaard en dat de bewijslast voor de jaren 2018 en 2019 wel wordt omgekeerd en verzwaard. Volgens de aangifte IB/PVV over het jaar 2017 is per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd. Uit de uitspraak op bezwaar vloeit voort dat volgens de inspecteur € 1.114,- aan inkomstenbelasting is verschuldigd. De vrouw heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen aangifte gedaan waardoor in absolute zin aanzienlijk te weinig belasting is geheven.
De rechtbank constateert dat de vrouw in haar aangifte haar aandeel van 50 procent in de onroerende zaken niet in box 3 heeft aangegeven. Ook heeft zij haar aandelenbelang niet in box 3 vermeld en ontbreekt een vordering van haar op vader in box 3 in de aangiften 2018 en 2019 die door haar vader zijn opgesteld. Het verschil in verschuldigde inkomstenbelasting is alleen al door deze niet ter discussie staande posten relatief en absoluut aanzienlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vader wist of in elk geval had moeten weten dat deze vermogensbestanddelen bij zijn dochter in de aangifte IB/PVV opgenomen zouden moeten worden. Omdat de vrouw de vereiste aangiften 2018 en 2019 niet heeft gedaan, dient de bewijslast ter zake van die jaren te worden omgekeerd en verzwaard.
Interne compensatie
Voor de rechtbank stelt de inspecteur dat de aan haar vader betaalde rentebedragen niet volledig op de vrouw drukken. Daarom beroept de inspecteur zich op het leerstuk van de interne compensatie. De inspecteur heeft veel meer rente als eigenwoningrente in aftrek toegestaan dan mogelijk is en daarom spreekt het hof van een geslaagd beroep van de inspecteur op interne compensatie.
De rechtbank overweegt dat de vrouw voor het jaar 2017 heeft gesteld dat zij € 69.161,- aan rente ter zake van een eigenwoningschuld aan vader heeft betaald. Ook in 2017 heeft de vrouw door middel van maandelijkse bankoverschrijvingen in totaal € 40.354,- ontvangen van haar vader. Volgens de vader zou de betaling van € 40.354,- geen verband houdt met de door de vrouw aan vader te betalen rentekosten.
Rentekosten drukken niet
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de rentekosten tot het bedrag van € 40.354,- op haar hebben gedrukt. Zij heeft wel gesteld dat de ontvangen bedragen betrekking hadden op uitgekeerd dividend op de aandelen en op ontvangen huur, maar heeft die stelling niet met schriftelijke bescheiden onderbouwd. Omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rentekosten in 2017 tot € 40.354,- op haar hebben gedrukt kan de rente tot dat bedrag niet als rente ter zake van een eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht.
Ook voor de jaren 2018 en 2019 heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat sprake is van op haar drukkende rentekosten. De rentekosten kunnen daarom ook voor deze jaren tot het bedrag van € 40.354,- niet als rente ter zake van een eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht. Net als voor het jaar 2017 geldt ook voor de jaren 2018 en 2019 dat de inspecteur veel meer rente in aftrek heeft toegestaan dan op basis van de overige geschilpunten de vrouw aan aftrek zouden kunnen opleveren.
Vertrouwensbeginsel
Het beroep op het vertrouwensbeginsel dat zou zijn geschonden door de inspecteur slaagt niet voor de rechtbank. De inspecteur had immers de in geschil zijnde punten in de aangiften over de jaren 2020 en 2021 gevolgd. De vrouw dacht erop te kunnen vertrouwen dat de inspecteur in 2020 en 2021 het standpunt van haar heeft overgenomen en dat dat ook voor de aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2019 dient te gelden. De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen IB/PVV over de jaren 2020 en 2021 onder inhoudelijke controle automatisch zijn vastgesteld. Uit een aangifte die niet aan een inhoudelijke controle is onderworpen kan niet het vertrouwen worden ontleend dat de inspecteur bewust een ander standpunt zou hebben ingenomen.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Tenslotte doet de vrouw een beroep op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Zij stelt dat er zoveel en zo vaak informatie is opgevraagd voor een relatief klein financieel belang van de zaak dat het onderzoek een inbreuk op de privacy bevat. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending niet gebleken. Het is aan de inspecteur om een afweging te maken of hij een aangifte diepgaander zal behandelen.
Gezien het feit dat in eerste instantie werd geweigerd om bankafschriften over te leggen en het lage inkomen van de vrouw in relatie tot de hoge hypotheekschuld, mocht de inspecteur doorvragen en verder onderzoeken na het krijgen van onduidelijke of onvolledige informatie.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2025:9142



Geef een reactie