Een man werkt in 2014, 2015 en in 2016 als direktor voor een Zwitserse ag. Voor zijn werkzaamheden wordt een managementvergoeding afgesproken van € 8.000,- per maand die voor een gedeelte in rekening-courant uitbetaald wordt via een stichting. In zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2016 geeft de man voor ieder jaar een inkomen uit vroegere dienstbetrekking aan van € 5.700,- per jaar.
Onderzoek FIOD
De man is als verdachte betrokken bij een onderzoek van de FIOD vanwege het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB/PVV. De man heeft in 2014 in totaal voor € 46.852,- in 2015 voor € 56.120,- en in 2016 voor € 71.410,- betalingen ontvangen op zijn privé bankrekeningen afkomstig van de bankrekening van de stichting. De betalingen zijn tot en met oktober 2015 in de rekening-courant van de man geboekt als privéopnamen. Naar aanleiding van de uitslag van het onderzoek legt de inspecteur navorderingsaanslagen op voor de jaren 2014 tot en met 2016. Daarbij corrigeert hij het inkomen voor ieder jaar met 12 x € 8.000,- = € 96.000,- als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW).
Voor de rechtbank Gelderland is het de vraag of de navorderingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn opgelegd en of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur stelt dat de man in zijn aangiften ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een ROW van € 96.000,- per jaar vanwege de managementfee. Op 31 december 2014 is een bedrag van € 96.000,- op de rekening-courant vordering van de man geboekt en op 31 augustus 2015 nog eens € 64.000,-. Ook tussentijds zijn er diverse mutaties geweest van de rekening-courant vordering waaruit volgt dat de man vrijelijk kon beschikken over het bedrag in de rekening-courant.
Vrijelijk beschikken over rekening-courant
De man is van mening dat de management fee niet tot zijn inkomen behoort, omdat de fee niet is betaald en dus niet door hem is genoten. Volgens hem is het kasstelsel van toepassing. De man stelt verder dat hij betaling voor het bedrijf heeft verricht waardoor hij dus een vordering op het bedrijf heeft. De rechtbank overweegt dat de man deze vordering niet in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2016 heeft aangegeven. De stelling van de man dat de vordering oninbaar was en dat hij de vordering daarom niet heeft aangegeven is naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd en mede door dit punt is al sprake van een gebrek in de aangifte.
Omdat de man ook daadwerkelijk betalingen heeft ontvangen op zijn privé bankrekeningen vindt de rechtbank het aannemelijk dat de man vrijelijk over de rekening-courant, en dus ook over de daarin geboekte management fee, kon beschikken. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit valt af te leiden dat ook in 2016 boekingen ten titel van management fee in de rekening-courant zijn gedaan en dat in 2016 privéopnamen in de rekening-courant zijn geboekt. De rechtbank is van oordeel dat, gelet hierop en gelet op de gang van zaken in 2014 en 2015, redelijkerwijs het bewijsvermoeden kan worden ontleend dat in 2016 management fee is ontvangen, dan wel recht bestond op management fee.
Kasstelsel niet van toepassing
Voor de rechtbank is niet in geschil dat op de management fee het ROW-regime van toepassing is. De rechtbank overweegt dat volgens goed koopmansgebruik baten en lasten worden toegerekend aan het tijdvak waarop zij betrekking hebben. Het kasstelsel is dus niet van toepassing, in tegenstelling tot wat de man stelt. Ook artikel 3.146 van de Wet IB 2001, waarnaar de man verwijst, is niet van toepassing op ROW. Zelfs als de management fee niet (volledig) aan de man zou zijn betaald is dat voor het ROW-regime niet relevant omdat op dat moment immers een vordering ontstaat. De bate die daarmee samenhangt, had als ROW moeten worden betrokken bij de aangifte inkomstenbelasting.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur daarom terecht uitgegaan van een ROW van € 96.000,- per jaar. Gelet hierop is de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank acht aannemelijk dat de man wist dat hij de management fee van € 96.000,- jaarlijks had moeten aangeven en dat, door een veel lager bedrag aan inkomen aan te geven, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Daarom moet de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
Navorderingsaanslagen niet willekeurig vastgesteld
Hoewel sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast mag de inspecteur de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vaststellen. In een brief die de ag aan de man heeft gestuurd volgt dat de management fee € 96.000,- per jaar bedroeg en de inspecteur heeft de correcties daarop gebaseerd. Daarom kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden gezegd dat de navorderingsaanslagen willekeurig zijn vastgesteld. De man heeft geen tegenbewijs geleverd dat de correcties onjuist zijn en dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2016 te hoog zijn.
De beroepen van de man zijn ongegrond. Wel heeft hij recht op vergoeding immateriële schadevergoeding (IMSV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. De overschrijding in de bezwaarfase bedraagt afgerond 42 maanden en de overschrijding in de beroepsfase zes maanden. Daarom wordt een vergoeding van € 4.000,- aan de man toegekend.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2025:11108


Geef een reactie