Het btw-tarief voor cultuur, media en sport zou oorspronkelijk per 1 januari 2026 worden verhoogd. Deze afspraak uit het Hoofdlijnenakkoord zou een paar miljard aan extra inkomsten opleveren. Maar onder grote maatschappelijke en politieke druk kwam het kabinet op zijn voornemen terug en paste het wetsvoorstel aan. De verhoging gaat niet door, met uitzondering van hotelovernachtingen.
Uitvoeringstoets
Een uitvoeringstoets beoordeelt de haalbaarheid van nieuwe wetgeving vanuit uitvoeringsoogpunt. De impact van de nieuwe wet beoordeelt de belastingdienst als “middelgroot”, voornamelijk vanwege de complexiteit die blijft bestaan. Desalniettemin worden de risico’s op procesverstoringen “klein” geacht. Er zijn geen aanpassingen nodig in de ICT-systemen van de Belastingdienst.
Derving 1,3 mrd
De financiële dekking voor het behoud van het lage tarief – dat een structurele derving van € 1,3 miljard voor de schatkist oplevert – wordt gevonden in het beperkt toepassen van de zogeheten tabelcorrectiefactor voor 2026. Normaal gesproken worden belastingvrije sommen, heffingskortingen en de grenzen van de belastingschijven ieder jaar volledig geïndexeerd met de inflatie (voor 2026: 2,9%, factor 1,029). Met dit wetsvoorstel wordt die correctie beperkt tot 57% van de inflatie, wat neerkomt op een factor van 1,01653.
Het gevolg is dat de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de grenzen van de belastingschijven in 2026 minder sterk stijgen dan de inflatie. Dit leidt tot een relatief hogere belastingdruk voor burgers. Het kabinet erkent dit en stelt dat de netto-koopkrachteffecten voor de mediane huishouden naar verwachting nagenoeg gelijk zijn aan die van een btw-verhoging. Aan de ene kant hebben huishoudens een lager besteedbaar inkomen door de beperkte indexatie, aan de andere kant profiteren zij van lagere prijzen voor culturele en sportieve activiteiten.
Gunstig voor fiscus
Handhaving van het lage btw-tarief pakt voor de fiscus financieel gunstig uit. Ten opzichte van het eerdere voorstel resulteert behoud van het lage tarief in een incidentele besparing van € 750.000 en structurele uitvoeringskosten van € 490.000 op het gebied van handhaving. Daarnaast wordt € 40.000 bespaard op dienstverleningskosten. De personele gevolgen zijn eveneens in kaart gebracht: er is sprake van een incidentele besparing van 5,5 fte (fulltime-equivalenten) en een structurele extra inzet van 3,5 fte.
Lees hier over het wetsvoorstel en de uitvoeringstoets.


Geef een reactie