Een man scheidt in 2023 van zijn vrouw, met wie hij twee minderjarige kinderen heeft. Zijn ex is huisarts. De scheiding verloopt niet geheel in goede harmonie, want er is onenigheid over de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Geen kinderalimentatie toegewezen
De man stapt in maart 2025 naar de rechtbank met de eis dat zijn ex kinderalimentatie moet gaan betalen. Die ex benadert haar accountant, die voorheen de gezamenlijke belastingaangiften verzorgde. Ze wil een prognose van winst en nettokasstroom van haar huisartsenpraktijk voor de jaren 2025 tot en met 2027.
Er rol een rapport uit, waarbij ook de gevolgen worden meegenomen van het aanstaande uittreden van de maat met wie de vrouw de praktijk voert en een daaraan gelieerde verhuizing. Het rapport pakt goed uit, want de rechter wijst de eisen van de ex-man af.
Prognose deugdelijk
Die is ontevreden en dient een tuchtklacht in tegen de AA. Bezwaren zijn onder meer dat de uitgangspunten voor de berekening ontbreken, dat de inkomsten op onderdelen zullen toenemen en dat de uitkeringen uit de maatschap hoger hadden kunnen zijn.
De tuchtrechter ziet echter genoeg aannames en uitgangspunten in het rapport vermeld. Doortrekken van de prognose naar 2028 in verband met het uittreden van de tweede maat en de verhuizing in 2026 acht de Accountantskamer evenmin nodig. Dat het gebruikelijk is een lening af te sluiten bij uittreding hoeft niet in het rapport te staan, mede omdat het rapport vermeldt dat tot het moment van uittreden en de verhuizing het beleid van de maatschap is om jaarlijks minder aan de maten uit te keren dan de winst. “Daaraan ligt ten grondslag dat de maten voor de financiering van het uittreden en de verhuizing geen vreemd vermogen willen aantrekken. Los hiervan valt niet in te zien om welke reden betrokkene in zijn rapport had behoren te vermelden dat het gebruikelijk is hiervoor een lening af te sluiten, daargelaten of dit gebruikelijk is.”
Dalende winst verklaarbaar
De ex vindt het gek dat de winst in 2027 is begroot op € 106.131, terwijl de winst in 2024 nog € 343.715 bedroeg. Ook het winstaandeel van de vrouw daalt sterk in 2027, ondanks dat de maat dan is uitgetreden. De tuchtrechter vindt de gedachte begrijpelijk “maar daarmee nog niet juist”. “Door het uittreden van de maat nemen volgens het rapport onder meer de kosten van waarneming toe en na de verhuizing ook de kosten van huisvesting. De vrouw moet in 2027 de uren die de maat besteedde aan zorgverlening met hulp van waarnemers opvangen, zijn overige (indirecte) taken erbij doen en de praktijk verhuist in 2026 naar een ander (duurder) huurpand. In het rapport is een en ander uitgelegd en met cijfers onderbouwd.”
Ook stijgende kosten van waarneming en achterblijvende inkomsten uit huisartsenpostdiensten zijn voldoende onderbouwd in het rapport.
Geen offertes nodig voor prognose
De ex klaagt verder dat berekeningen van de kosten van de investeringen niet zijn gebaseerd op offertes. Maar dat hoeft niet, zegt de Accountantskamer: “Een toereikende grondslag voor een prognose betekent niet dat kosten en indexcijfers steeds op offertes moeten zijn gebaseerd, daargelaten of dat wel telkens mogelijk is. Een toereikende grondslag kan ook op een andere manier worden verkregen. Van belang is verder dat betrokkene in het rapport, waar dat nodig is, duidelijk heeft gemaakt dat het bij de kosten en indexcijfers om verwachtingen gaat, zodat de gebruiker ervan niet op het verkeerde been wordt gezet.”
Tot slot is in het rapport voldoende verklaard waarom de voorbije jaren door de aanstaande uittreding minder aan de maten is uitgekeerd dan op grond van de winst en de liquide middelen had gekund.
De klacht wordt op alle onderdelen ongegrond verklaard.


Geef een reactie