Hoewel het kabinet de knelpunten erkent, stelt het dat de informatiebeschikking nog steeds bijdraagt aan een betere rechtsbescherming, omdat belastingplichtigen de rechtmatigheid van informatieverzoeken aan de rechter kunnen voorleggen.
Informatiebeschikking
De informatiebeschikking is in 2011 in de wet opgenomen om de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij informatieverzoeken van de inspecteur te verbeteren. Voor de invoering kon de
sanctie van het omkeren en verzwaren van de bewijslast intreden wanneer de informatieplicht niet was nagekomen. Na invoering van de wet moet de door de inspecteur vastgestelde informatiebeschikking eerst onherroepelijk zijn geworden voordat de sanctie kan intreden. Via bezwaar en beroep tegen de
informatiebeschikking kan de belastingplichtige vervolgens aan de belastingrechter voorleggen of een informatieverzoek van de inspecteur terecht is.
Geen afschaffing
Het kabinet erkent dat de huidige procedure te lang duurt en daarmee leidt tot langdurige rechtsonzekerheid voor belastingplichtigen. In zowel wetenschappelijk onderzoek als in een preconsultatie is zelfs de vraag opgeworpen of de informatiebeschikking niet beter kan worden afgeschaft. Het kabinet wijst die optie af. Volgens Heijnen draagt het instrument nog steeds bij aan betere rechtsbescherming, juist doordat belastingplichtigen de mogelijkheid hebben om vragen van de inspecteur door een rechter te laten toetsen. “Het kabinet is dan ook van mening dat een belastingplichtige die mogelijkheid moet behouden,” aldus de brief.
Opties verkorten doorlooptijd
De prioriteit ligt daarom bij het verkorten van de doorlooptijd. Een van de voorkeursrichtingen is het overslaan van één rechterlijke instantie. In dat scenario zou de belastingplichtige de informatiebeschikking rechtstreeks kunnen laten toetsen door het gerechtshof, met daarna alleen nog de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad. De rechtbank zou dan worden overgeslagen. Heijnen erkent dat dit de indruk kan wekken dat de rechtsbescherming wordt uitgehold, omdat er minder feitelijke toetsing plaatsvindt. Toch weegt volgens het kabinet het belang van snelheid zwaarder: “het sneller wegnemen van onduidelijkheid en daarmee eerder rechtszekerheid bieden prevaleert boven de mogelijkheid om de informatiebeschikking aan twee feitelijke instanties voor te leggen.”
Een alternatieve route die wordt verkend, is een toetsing door de voorzieningenrechter voordat de zaak eventueel in een bodemprocedure bij de fiscale rechtbank terechtkomt. Een voorzieningenrechter kan snel uitspraak doen, wat belastingplichtigen sneller duidelijkheid kan geven over de vraag of een informatiebeschikking terecht is opgelegd. Daar staat tegenover dat deze rechter in de regel slechts marginaal toetst. Als een intensievere beoordeling nodig is, volgt alsnog een doorverwijzing naar de bodemprocedure. Het kabinet ziet hier wel de voordelen van snelheid, maar ook de beperking van een minder diepgaande toets.
Volgend kabinet
De Tweede Kamer wordt gevraagd deze oplossingsrichtingen te wegen en een voorkeur uit te spreken. Een volgend kabinet zal de gekozen richting verder moeten uitwerken in een wetsvoorstel, waarbij de Raad voor de Rechtspraak wordt betrokken. In de loop van 2026 moet dat voorstel worden geconcretiseerd en geconsulteerd.


Geef een reactie