Een man die in 1946 is geboren, was tot 27 december 2021 houder van alle aandelen in twee bv’s. Deze bv’s hielden belangen van meer dan 5% in diverse vennootschappen. De twee bv’s behaalden in 2021 fiscale winsten van respectievelijk € 61.510 en € 21.068. De man deed aangifte IB/PVV 2021 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.088.
Geen andere werknemers dan dga zelf
De inspecteur stelde vragen over de ingediende aangifte en stelde vervolgens vast dat de bv’s omzet genereerden, terwijl zij behalve de man zelf geen andere werknemers hadden. De inspecteur stelde het gebruikelijk loon vast op het wettelijke normbedrag van € 47.000.
Daarbij hield hij rekening met € 11.600 aan loon in natura wegens het privégebruik van een auto van de bv. De correctie van het loon uit dienstbetrekking bedroeg daardoor € 35.400.
De aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.036 vloeide niet alleen voort uit de correctie van het gebruikelijk loon. De inspecteur corrigeerde daarnaast € 26.597 aan inkomsten uit overig werk en € 1.750 aan periodieke uitkeringen. Ook accepteerde hij een opgevoerde periodieke gift van € 201 niet.
De correctie van € 1.750 hield volgens de inspecteur verband met reeds uitgekeerde stamrechttermijnen die niet waren verloond en als periodieke uitkering moesten worden aangegeven. De inspecteur kondigde verder aan ook voor 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV op te leggen. Voor de rechtbank was uitsluitend de correctie van het gebruikelijk loon in geschil.
Bedrijfsactiviteiten afgebouwd
De man was van mening dat het bijgetelde forfait niet in verhouding stond tot de resultaten van de twee bv’s en evenmin overeenkwam met zijn tijdsbesteding van één dag per maand. Een vergoeding van € 12.000 per jaar vond hij billijk. Hij wees er verder op dat hij met pensioen was, de bedrijfsactiviteiten waren afgebouwd en hij slechts in deeltijd werkte.
De inspecteur was van mening dat er geen aanleiding bestond om het gebruikelijk loon lager vast te stellen dan het wettelijke normbedrag van € 47.000, inclusief de bijtelling voor de auto van de zaak. Volgens de inspecteur had de man geen concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit bleek dat een lager gebruikelijk loon gerechtvaardigd was.
Aandelen kwalificeren als aanmerkelijk belang
Rechtbank Gelderland oordeelde dat de aandelen die de man hield in de twee bv’s kwalificeerden als een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 2001. Dat gold ook voor de belangen die hij via de twee bv’s indirect hield in de andere vennootschappen. Daarmee was de gebruikelijkloonregeling op de werkzaamheden van de man van toepassing.
De rechtbank oordeelde vervolgens dat de man, op wie de bewijslast rustte, onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd waaruit volgde dat met een lager gebruikelijk loon dan het normbedrag van € 47.000 kon worden volstaan. Tegenover de betwisting door de inspecteur had hij zijn standpunt bovendien niet aannemelijk gemaakt.
Geen duidelijkheid over deeltijdwerk
Dat de man in 2021 de leeftijd van 74 of 75 jaar had bereikt, kon volgens de rechtbank een aanwijzing zijn dat hij niet meer voltijds, maar in deeltijd werkte. Zonder een nadere toelichting van de man bestond daarover echter geen duidelijkheid.
Ook wanneer wel zou vaststaan dat de man in deeltijd werkte, betekende dit volgens de rechtbank niet automatisch dat het gebruikelijk loon in zijn voordeel moest worden verlaagd.
Verder ontbrak een toelichting op de bedrijfsactiviteiten die de verschillende vennootschappen in 2021 verrichtten. De man had evenmin duidelijk gemaakt hoeveel tijd hij per vennootschap aan die werkzaamheden besteedde. De rechtbank kon daardoor niet beoordelen of een lager loon gerechtvaardigd was.
Het gelijk was daarom aan de inspecteur. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Rechtbank Gelderland 10 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5528, zaaknummer AWB 25/1416.


Geef een reactie