Daarbij is een eerder kennisgroepstandpunt uit 2022 ingetrokken.
Aanleiding is een situatie waarin een dga via zijn holding werkzaamheden verricht voor een werk-bv waarin de holding een minderheidsbelang heeft. Hoewel tussen beide vennootschappen een overeenkomst van opdracht is gesloten, kwalificeert de arbeidsrelatie volgens de kennisgroep feitelijk als een echte dienstbetrekking met de werk-bv. Tegelijkertijd is de doorbetaaldloonregeling van toepassing, waardoor de dga uitsluitend via de holding wordt verloond.
De kennisgroep concludeert dat de toepassing van de doorbetaaldloonregeling ertoe leidt dat de gebruikelijkloonregeling op concernniveau moet worden toegepast, zoals volgt uit artikel 12a, derde lid, Wet LB 1964. De bedragen die de werk-bv op grond van de doorbetaaldloonregeling afdraagt aan de holding-bv, zijn volgens de kennisgroep echter niet bepalend voor de hoogte van het gebruikelijk loon.
Geen rechtstreeks verband met managementvergoeding
In de voorgelegde casus factureert de holding jaarlijks 120.000 euro aan de werk-bv, waarvan 20.000 euro betrekking heeft op kosten, lasten en afschrijvingen. De dga ontvangt van de holding slechts 5.000 euro loon.
Volgens de kennisgroep vormt het daadwerkelijk genoten loon van 5.000 euro het uitgangspunt voor de beoordeling. Vervolgens moet worden vastgesteld welk gebruikelijk loon past bij de totale werkzaamheden die de dga voor zowel de holding als de werk-bv verricht. Het verschil tussen het genoten loon en het vastgestelde gebruikelijk loon vormt het fictieve loon.
De kennisgroep benadrukt dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de managementvergoeding van 120.000 euro en het uiteindelijk vast te stellen gebruikelijk loon. Het fictieve loon kan daarom zowel lager als hoger uitvallen dan het bedrag dat de werk-bv aan de holding afdraagt op grond van de doorbetaaldloonregeling.
Doorbetaaldloonregeling wijzigt loonhoogte niet
Volgens de kennisgroep verplicht de doorbetaaldloonregeling de nevenwerkgever uitsluitend tot afdracht van loon aan de hoofdwerkgever. De regeling bevat geen verplichting voor de hoofdwerkgever om datzelfde bedrag door te betalen aan de werknemer. Daarom heeft de doorbetaaldloonregeling op zichzelf geen invloed op de hoogte van het loon dat de holding aan de dga moet toekennen; daarvoor blijft uitsluitend de gebruikelijkloonregeling bepalend.
In het standpunt verwijst de kennisgroep onder meer naar rechtspraak van de Hoge Raad en diverse gerechtshoven over de toepassing van de gebruikelijkloonregeling en de fiscale kwalificatie van managementvergoedingen.
Tot slot wijst de kennisgroep erop dat de situatie voor de werknemersverzekeringen anders kan uitpakken. Als de dga niet verzekerd is via de holding en evenmin sprake is van een echte dienstbetrekking bij de werk-bv, kan de doorbetaaldloonregeling voor de premies werknemersverzekeringen niet worden toegepast. In dat geval moet de werk-bv de dga voor de werknemersverzekeringen in de loonadministratie opnemen, waarbij in beginsel de volledige managementvergoeding als grondslag geldt, met inachtneming van het maximumpremieloon. De inspecteur kan dat sociaalverzekeringsloon vervolgens betrekken bij de onderbouwing van het gebruikelijk loon bij de holding.
Het standpunt is hier te vinden.


Geef een reactie