Het gaat om situaties waarin iemand een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of ander lijfrenteproduct afsluit en daarvoor premie of inleg betaalt. Voor dergelijke producten geldt onder voorwaarden een bedenktijd. Wie binnen die periode van maximaal dertig dagen van het product afziet, kan zijn geld terugkrijgen. Tevens is het standpunt KG:202:2024:8, dat ziet op de geruisloze terugstorting van te veel betaalde premies voor een lijfrente in box 3, ingetrokken in verband met het vervallen van onderdeel 2.5 van het Verzamelbesluit lijfrenten en overige periodieke uitkeringen. Het nieuwe standpunt komt tot dezelfde uitkomst als het ingetrokken standpunt.
Fiscaal wordt bij zo’n toegestane ontbinding gedaan alsof de oorspronkelijke premiestorting niet heeft plaatsgevonden. Dat kan gevolgen hebben wanneer de betaling en de terugstorting aan weerszijden van de jaarwisseling plaatsvinden, omdat voor box 3 de omvang en samenstelling van het vermogen op 1 januari bepalend zijn.
Rond de jaarwisseling
De Belastingdienst geeft als voorbeeld iemand die op 30 december 2025 10.000 euro in een lijfrente stort om een pensioentekort te compenseren. Begin januari bedenkt de klant zich en wordt de 10.000 euro teruggestort. Zonder nadere regeling zou het vermogen waarover op 1 januari 2026 box 3 wordt berekend door de betaling tijdelijk 10.000 euro lager zijn. Omdat fiscaal wordt gedaan alsof de lijfrentestorting nooit heeft plaatsgevonden, moet de belastingplichtige het terug te ontvangen bedrag alsnog tot zijn vermogen op 1 januari rekenen. Zo wordt voorkomen dat het kort voor de peildatum storten en kort daarna terughalen van geld uit een lijfrenteproduct de grondslag voor box 3 verlaagt.
Geen spaargeld
Opmerkelijk is de manier waarop het bedrag vervolgens wordt behandeld. Hoewel iemand uiteindelijk geld terugkrijgt dat bijvoorbeeld weer op een bankrekening belandt, beschouwt de Belastingdienst het bedrag voor de berekening op de peildatum niet als banktegoed. Het valt in de categorie ‘overige bezittingen’. Onder het huidige box 3-stelsel wordt onderscheid gemaakt tussen banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor banktegoeden en overige bezittingen gelden verschillende forfaitaire rendementen.
Wettelijke definitie
Volgens de kennisgroep is de wettelijke definitie van een banktegoed beperkt. Het bedrag dat door de fiscale fictie alsnog op de peildatum in box 3 terechtkomt, voldoet niet aan die definitie en moet daarom als overige bezitting worden opgegeven. Daarbij hoeft het bedrag niet precies gelijk te zijn aan de betaalde premie. De financiële instelling kan bij de terugbetaling ook het inmiddels behaalde positieve of negatieve rendement verwerken. Het bedrag dat uiteindelijk in box 3 moet worden aangegeven, kan daardoor hoger of lager zijn dan de oorspronkelijke inleg.
Ook voor rechtsherstel
Het standpunt geldt zowel voor de Wet rechtsherstel box 3, die werd ingevoerd na het zogenoemde kerstarrest van de Hoge Raad, als voor de overbruggingswetgeving die sinds 1 januari 2023 geldt. Aan het gunstige beleid voor het terugdraaien van de lijfrente zijn wel voorwaarden verbonden. De mogelijkheid om het contract op te zeggen of te ontbinden moet in de overeenkomst staan en mag maximaal dertig dagen na het afsluiten ervan kunnen worden gebruikt. Ook moet de hele overeenkomst worden beëindigd en mag de lijfrente geen voortzetting van een eerdere lijfrente zijn. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, leidt het terugdraaien volgens het geldende beleidsbesluit niet tot strijd met het fiscale afkoopverbod en wordt geen revisierente berekend.
Ga hier naar het standpunt.


Geef een reactie