Bovendien moet een deel van het geschil niet aan de rechter, maar aan arbiters worden voorgelegd.
Uitgetreden uit de maatschap
Een belastingadviesvennootschap was tot 1 januari 2026 als maat verbonden aan een maatschap van registeraccountants, fiscalisten en adviseurs. De bestuurder van die vennootschap werkte als fiscalist binnen de maatschap. Na zijn vertrek bleef hij volgens afspraak nog tot medio 2026 werkzaamheden voor het kantoor verrichten.
Bij de uittreding van de fiscalist sloten de betrokken partijen een vaststellingsovereenkomst. Daarin werd het relatiebeding uit de maatschapsovereenkomst gehandhaafd, maar de looptijd teruggebracht van vijf naar drie jaar, gerekend vanaf 1 januari 2026. Het beding verbood onder meer het benaderen van relaties met het oog op nieuwe opdrachten en het aanvaarden van werkzaamheden voor bestaande klanten. Op overtreding stond een direct opeisbare boete van 25.000 euro, vermeerderd met 1.000 euro voor iedere dag dat de overtreding voortduurde.
De fiscalist was inmiddels ook bestuurder van een nieuwe vennootschap, opgericht op 6 januari 2026. Volgens de maatschap gebruikte hij die onderneming om klanten van zijn voormalige kantoor over te nemen. Op 17 juli 2026 wees de maatschap de voormalige maat op het relatiebeding. Twee weken later volgde een sommatie van de advocaat om 100.000 euro aan volgens de maatschap verbeurde boetes te betalen en de overtredingen te staken.
Arbitragebeding staat rechtszaak deels in de weg
De maatschap stapte naar de voorzieningenrechter en eiste onder meer dat de voormalige maat, de fiscalist persoonlijk en zijn nieuwe vennootschap tot eind 2028 geen klanten meer zouden benaderen of opdrachten van hen zouden aannemen. Ook verlangde het kantoor een volledige opgave van alle contacten met relaties sinds 1 januari 2026, inclusief opdrachtbevestigingen, overeenkomsten en vergoedingen. Verder moesten overeenkomsten die in strijd met het relatiebeding waren gesloten worden beëindigd.
De voormalige maat beriep zich echter op het arbitragebeding in de vaststellingsovereenkomst. Volgens die bepaling moesten geschillen over de overeenkomst en daarmee samenhangende afspraken uitsluitend worden beslecht door drie scheidslieden volgens het NAI Arbitragereglement. De maatschap stelde daar tegenover dat de vorderingen primair op onrechtmatige daad zouden zijn gebaseerd en niet op nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Daarmee kon het arbitragebeding volgens het kantoor worden gepasseerd.
De voorzieningenrechter verwerpt dat laatste betoog. De vorderingen zijn gebaseerd op een mogelijke overtreding van het relatiebeding, dat uitdrukkelijk in de vaststellingsovereenkomst van toepassing is verklaard. Dat hetzelfde handelen mogelijk ook onrechtmatig is, verandert niets aan de toepasselijkheid van het arbitragebeding. Volgens de rechtbank kan een partij niet aan arbitrage ontkomen door een vermeende contractuele tekortkoming als onrechtmatige daad te kwalificeren. Artikel 1022a Rv laat weliswaar toe dat partijen ondanks een arbitrageovereenkomst een voorlopige voorziening bij de burgerlijke rechter vragen, maar artikel 1022c Rv stelt daaraan een beperking. Als de wederpartij zich vóór alle weren op arbitrage beroept, is de voorzieningenrechter alleen bevoegd wanneer de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen. Dat is hier niet het geval. Het NAI Arbitragereglement 2024 biedt de mogelijkheid om in spoedeisende zaken voorlopige voorzieningen te treffen.
De maatschap voerde nog aan dat een arbitrageprocedure vanwege de vele verhinderdata van betrokkenen niet snel genoeg kon plaatsvinden. Maar een mogelijk latere behandeling door arbiters betekent volgens de rechter niet automatisch dat een voorziening niet tijdig kan worden verkregen. Onherstelbare gevolgen van enig tijdsverloop zijn niet gebleken. Bovendien heeft de maatschap zelf nog geen arbitrageprocedure aanhangig gemaakt, hoewel zij al wist dat de voormalige maat zich op het arbitragebeding zou beroepen. Dat tijdsverloop komt grotendeels voor haar eigen risico. De voorzieningenrechter verklaart zich daarom onbevoegd om over de vorderingen tegen de voormalige maat te oordelen.
Volmachten en bezwaar tegen belastingaanslag
Over de vorderingen tegen de fiscalist persoonlijk en zijn nieuwe vennootschap kan de rechter wel oordelen. Volgens de maatschap profiteerden zij onrechtmatig van de wanprestatie van de voormalige maat.
Om dat te kunnen beoordelen moet de voorzieningenrechter eerst voorlopig beoordelen of aannemelijk is dat arbiters een overtreding van het relatiebeding zullen vaststellen. De rechter stelt vast dat het beding niet alleen rechtstreeks handelen verbiedt, maar ook indirecte activiteiten. Omdat de fiscalist bestuurder is van zowel de voormalige maat als de nieuwe vennootschap en zelf de werkzaamheden binnen de maatschap verrichtte, moet het handelen van hem en zijn nieuwe onderneming ten aanzien van relaties van de maatschap worden beschouwd als indirect handelen van de voormalige maat.
Bij één klantengroep ziet de rechter voldoende aanwijzingen voor overtreding. In juli 2026 had de nieuwe vennootschap opdrachten aanvaard van relaties van de maatschap. Zo bleek uit een overgelegde volmacht dat een klant de fiscalist had gemachtigd, waarbij hij werd aangeduid als belastingadviseur van zijn nieuwe onderneming. Tijdens de zitting bleek dat ook een andere klant een vergelijkbare volmacht had verstrekt.
Daarnaast was er een e-mail van 14 augustus 2026. Daarin schreef de fiscalist vanaf zijn nieuwe e-mailadres aan een andere vennootschap uit dezelfde klantengroep: “bij het indienen van het bezwaar tegen de aanslag 2022 van [holding Y] heb ik zekerheidshalve ook om uitstel gevraagd van betaling voor de belastingschuld”.
Daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat de nieuwe onderneming ook voor deze vennootschap werkzaamheden verrichtte en aannemelijkerwijs een opdracht had aanvaard. Omdat vaststaat dat de betrokken vennootschappen klanten van de maatschap waren, acht de rechter een overtreding van het relatiebeding aannemelijk.
Niet ieder klantcontact is verboden
Voor de overige verwijten ontbreekt voldoende bewijs. Zo had een klant laten weten de boekhouding bij de maatschap te willen onderbrengen, maar voor juridisch advies naar de nieuwe onderneming te willen gaan. Volgens de rechter blijkt daaruit niet dat de fiscalist deze klant actief heeft benaderd. Het is ook mogelijk dat de klant uit eigen beweging wilde overstappen, bijvoorbeeld na een bericht over het vertrek van de fiscalist.
Ook een bespreking op 14 juli 2026 met directeuren van een grote klant levert onvoldoende grond op voor een voorlopige vaststelling van een overtreding. De maatschap stelde dat de fiscalist de bijeenkomst op eigen initiatief had georganiseerd om een nieuwe opdracht binnen te halen. De fiscalist verklaarde daarentegen dat het gesprek verband hield met lopende werkzaamheden, de overdracht daarvan en een verzoek om te helpen bij het zoeken naar een nieuwe CFO.
Zonder nadere bewijslevering kan de rechter niet vaststellen welke lezing juist is. Voor die bewijslevering is in kort geding geen plaats. Bij een andere klant had de fiscalist per e-mail laten weten hoe hij na zijn vertrek bereikbaar was. Ook dat is volgens de voorzieningenrechter onvoldoende om een overtreding aan te nemen. Partijen zijn immers geen contactverbod overeengekomen.
Ten slotte speelde een verwijzing door een notaris- en advocatenkantoor. Dat kantoor verwees op 18 juni 2026 een potentiële klant naar de maatschap, met de e-mail gericht aan de fiscalist. Die stuurde het bericht door naar zijn privéadres in plaats van intern binnen het kantoor.
De maatschap zag daarin een poging om een potentiële klant mee te nemen. De rechter oordeelt echter dat niet vaststaat dat deze partij onder het relatiebeding valt. Het beding omvat ook potentiële relaties, maar daarvoor moet de maatschap al onderhandelingen hebben gevoerd over mogelijke opdrachten. Daarvan is niet gebleken.
Eén overtreding onvoldoende voor ingrijpende maatregelen
Uiteindelijk blijft volgens de voorzieningenrechter slechts één aannemelijke overtreding over, die betrekking heeft op één klantengroep. Dat is onvoldoende om de gevraagde voorzieningen te rechtvaardigen, zelfs als zou worden aangenomen dat de fiscalist en zijn nieuwe vennootschap daarvan op onrechtmatige wijze hebben geprofiteerd. Daarbij weegt mee dat de betrokkenen de klantengroep inmiddels zelf hadden laten weten voorlopig geen werkzaamheden te kunnen verrichten zolang de kwestie rond het relatiebeding niet was opgelost. Ook heeft de maatschap onvoldoende belang bij een aanvullend rechterlijk verbod. Het relatiebeding geldt immers nog altijd voor de voormalige maat, inclusief de contractuele boetebepaling.
De rechtbank wijst daarom alle vorderingen tegen de fiscalist en zijn nieuwe vennootschap af. De maatschap moet bovendien 2.101 euro aan proceskosten betalen, eventueel te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.


Geef een reactie