Volgens de rechtbank heeft ASN voldoende bewezen dat sprake was van het verstrekken van vervalste gegevens, zodat de opname in de interne en externe frauderegisters in stand blijft.
Registers
De fiscalist stapte naar de rechter nadat ASN zijn persoonsgegevens voor acht jaar had opgenomen in haar interne- en externe incidentenregisters: het incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister (EVR), de gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR). Financiële instellingen hebben een incidentenregister opgezet om gedragingen te kunnen vastleggen die tot benadeling van (andere) financiële instellingen kunnen leiden. In het extern verwijzingsregister (EVR) staan verwijzingsgegevens naar het incidentenregister. Het EVR kan door andere financiële instellingen worden geraadpleegd. In de gebeurtenissenadministratie van banken worden ook gebeurtenissen vastgelegd die van belang kunnen zijn voor de veiligheid en integriteit van de bank. De afdeling Veiligheidszaken van die bank beslist vervolgens of voorvallen ook leiden tot een vermelding in het intern verwijzingsregister (IVR). Het IVR kan alleen binnen de eigen organisatie worden geraadpleegd.
Volgens de fiscalist zijn de registraties ongegrond en handelde de bank onrechtmatig. Hij vorderde verwijdering van de registraties of verkorting van de duur ervan, plus een verwijzing naar de schadestaatprocedure. De rechtbank wijst alle vorderingen af.
Werkgeversverklaring klopte niet
De bankklant vroeg in mei 2023 een hypotheek aan en leverde daarbij een werkgeversverklaring en een loonstrook aan. Daarin stond dat hij sinds mei 2022 als CEO werkzaam was bij een startup in de betaaldienstverlening met een jaarinkomen van 108.480 euro. Na onderzoek door de afdeling Veiligheidszaken concludeerde ASN dat die gegevens niet overeenkwamen met de werkelijkheid, er zou sprake zijn van een gefingeerd dienstverband. Ook het jaarinkomen dat op de werkgeversverklaring is vermeld, klopt volgens ASN niet met het werkelijke inkomen.
De fiscalist bracht daar tegenin aan dat de startup actief was in de betaaldienstverlening en bezig was met een aanvraag voor een betaalvergunning bij De Nederlandsche Bank. Omdat de onderneming tot eind april 2023 nog geen bankrekening had, kon zij hem volgens eigen zeggen geen salaris uitbetalen. Hij verrichtte wel werkzaamheden en ontving daarvoor vergoedingen via een andere route. Zo stuurde hij vanuit zijn eigen onderneming facturen naar een buitenlandse vennootschap van iemand die eveneens bij de startup betrokken was en wél over een bankrekening beschikte.
Volgens de rechtbank ondersteunen de overgelegde stukken die uitleg echter niet. De facturen vertegenwoordigen samen ruim 40.000 euro, terwijl op de werkgeversverklaring een jaarinkomen van 108.480 euro staat vermeld. Ook blijkt uit de facturen geen vast maandsalaris, maar steeds wisselende bedragen. Uit de bankafschriften volgt bovendien dat hij in 2022 in totaal ongeveer 51.700 euro ontving. Tijdens de zitting bevestigde de fiscalist bovendien dat hij het op de werkgeversverklaring vermelde jaarsalaris in dat jaar niet daadwerkelijk had ontvangen. Dat hij dit loon volgens afspraak alsnog zou krijgen zodra de startup een bankrekening had, maakt dat volgens de rechtbank niet anders.
Ook uit de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt alleen dat naar een oplossing voor de betaling zou worden gezocht, niet dat het salaris later alsnog verschuldigd zou worden. Daarom mocht ASN concluderen dat de werkgeversverklaring onjuiste informatie bevatte.
Geantedateerde verklaring
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de werkgeversverklaring valselijk is opgemaakt. Het document vermeldt dat gebruik is gemaakt van het NHG-model 2023, terwijl het zou zijn ondertekend op 1 mei 2022.
De fiscalist stelde dat het ging om een standaard Word-document waarvan het jaartal eenvoudig kon worden aangepast. Ook legde hij verklaringen van bestuurders van de startup over die zijn uitleg ondersteunden. ASN bracht daartegenover een verklaring van het Service Center NHG in, waaruit blijkt dat het gebruikte model pas vanaf 1 november 2022 beschikbaar was en bovendien inhoudelijk afwijkt van eerdere versies.
Volgens de rechtbank volgt daaruit dat de werkgeversverklaring onmogelijk al op 1 mei 2022 kan zijn opgesteld. Het document moet later zijn ondertekend en vervolgens zijn geantedateerd. Antedatering kwalificeert als valsheid in geschrifte. Door deze werkgeversverklaring bij de hypotheekaanvraag te gebruiken, heeft de fiscalist vervalste gegevens verstrekt.
Dat een medebestuurder de verklaring zou hebben opgesteld, ontslaat hem volgens de rechtbank niet van verantwoordelijkheid. Juist omdat hij als CEO nauw betrokken was bij de onderneming, had van hem extra alertheid op de juistheid van de aangeleverde stukken mogen worden verwacht.
Meer aanwijzingen
ASN wees daarnaast op andere inconsistenties. Zo kwam het opgegeven salaris niet overeen met de aangifte inkomstenbelasting over 2022, waarin uitsluitend winst uit de eigen onderneming was opgenomen. Ook bleek de fiscalist pas per 1 mei 2023 bij het UWV te zijn aangemeld, terwijl volgens de werkgeversverklaring het dienstverband een jaar eerder was begonnen. Bovendien noemde een aanvraag bij De Nederlandsche Bank weer een andere ingangsdatum van zijn werkzaamheden.
Volgens de rechtbank ondersteunen ook deze bevindingen de conclusie dat de informatie over het dienstverband onjuist was.
Registratie voldoet aan PIFI
De rechtbank toetst vervolgens de registraties aan het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI). Voor opname in het EVR moet sprake zijn van een gedraging die een bedreiging vormt voor de financiële belangen van de bank of de integriteit van de financiële sector, moet de betrokkenheid van de betrokkene voldoende vaststaan en moet de registratie proportioneel zijn.
Aan die voorwaarden is volgens de rechtbank voldaan. Voor registratie is geen strafrechtelijke veroordeling vereist; wel moeten voldoende concrete feiten en omstandigheden beschikbaar zijn die duidelijk meer opleveren dan een redelijk vermoeden van schuld. De rechtbank acht dat bewijs aanwezig.
Ook verwerpt zij het betoog dat de fiscalist geen belang had bij de onjuiste werkgeversverklaring. ASN lichtte toe dat zonder die verklaring andere vragen zouden zijn gesteld over de aanvraag en dat de gewenste hypotheek op basis van zijn daadwerkelijke ondernemersinkomen niet zou zijn verstrekt.
Belangenafweging
De fiscalist stelde dat de registraties hem financieel en psychisch zwaar hebben getroffen en dat hij daardoor zijn werkzaamheden voor de startup heeft moeten beëindigen. Volgens de rechtbank heeft hij die gevolgen echter onvoldoende concreet onderbouwd.
Daar staat het belang van ASN tegenover om fraude te signaleren, overkreditering te voorkomen en andere financiële instellingen te kunnen waarschuwen. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat de bank de bestaande bankrelatie niet heeft beëindigd, waardoor de oorspronkelijke hypotheek behouden bleef.
Ook voor verkorting van de registratieduur ziet de rechtbank geen aanleiding. ASN mocht volgens de rechtbank meewegen dat juist van iemand die werkzaam is als fiscalist mag worden verwacht dat hij correcte gegevens verstrekt. Verder heeft de man inmiddels zijn eigen onderneming weer opgebouwd en is hij verhuisd naar België, waar de registraties geen werking hebben. Hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij nog zodanig wordt beperkt dat de belangenafweging anders moet uitvallen. Daarom blijven de registraties in stand en moet hij ruim 2.200 euro aan proceskosten betalen.


Geef een reactie