De bestuurder van een administratiekantoor had zich borg gesteld voor een schuld aan aandeelhouder. Toen deze beslag legde, trok de vrouw van de boekhouder aan de bel. Haar was namelijk niets gevraagd. Dat hoefde ook helemaal niet, betoogde de aandeelhouder voor de rechter.
Administratiekantoor Bieseman was eigendom van de besloten vennootschap JARO. In JARO was het bedrijf WVG voor 50% aandeelhouder. WVG had daarmee recht op de helft van de winst van administratiekantoor Bieseman. Toen bleek dat WVG minder had ontvangen, ontstond een claim van bijna vijf ton op het administratiekantoor. De eigenaar van Bieseman, die ook voor 50% participeerde in JARO, stelde zich persoonlijk borg voor een bedrag van € 375.000.
Echtgenote
Nadat betaling van de claim uitbleef legde WVG beslag op bezittingen van de man. Groot was echter de verrassing toen de Bieseman-bestuurder een vrouw bleek te hebben. Zij wist niets van de borgstelling van haar echtgenoot, maar leed nu wel onder de beslaglegging. Voor de rechter vorderde ze daar een einde aan. En dus moest de rechter zich buigen over de vraag of de boekhouder zijn vrouw om toestemming voor de persoonlijke borgstelling had moeten vragen. WVG stelde dat het ‘ter goeder trouw’ had aangenomen dat de bestuurder van Bieseman ongehuwd was.
BW
Wat zegt het wetboek? Op grond van artikel 1:88 lid 1 heeft een echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot nodig voor overeenkomsten waarbij hij zich, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, tot borg stelt. Die toestemming is niet vereist, als de borgstelling wordt verstrekt door een bestuurder van een besloten vennootschap, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt, en de borgstelling plaatsvindt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap (artikel 1:88 lid 5 BW).
Geen uitzonderingen
Volgens de rechtbank waren de uitzondering in beide artikelen niet van toepassing. Daarom had de boekhouder om toestemming van zijn vrouw moeten vragen voordat hij zich persoonlijk borg stelde. WVG stelde echter dat hij die toestemming niet nodig had, omdat hij in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde. WVG wees erop dat de borgstelling betrekking had op de ‘fee’ die verschuldigd was voor het verrichten van dagelijkse ‘normale’ administratieve werkzaamheden ten behoeve van klanten. Die werkzaamheden werden via het in Bieseman geëxploiteerde bedrijf uitgevoerd. Daarnaast had de eigenaar van Bieseman volgens WVG de borgtocht afgegeven om nadere incassomaatregelen, waaronder beslag op activa van Bieseman en/of een potentieel faillissementsverzoek jegens Bieseman, af te wenden.
Strikte uitleg
Dit alles had volgens de rechter echter alleen betrekking op het bedrijf van de besloten vennootschap Bieseman en niet op dat van de boekhouder zelf. Volgens vaste rechtspraak worden onder de vrijstelling van het toestemmingvereiste van lid 1 onder c voor borgtochten die zijn aangegaan in de normale uitoefening van het eigen beroep of bedrijf, niet begrepen borgstellingen door bestuurders-aandeelhouders ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap. Vereenzelviging van de vennootschap, die formeel het bedrijf uitoefent, met de persoon van de bestuurder-aandeelhouder die feitelijk de bedrijfsactiviteiten verricht, wordt niet aanvaard. Juist vanwege die strikte uitleg is het huidige lid 5 van artikel 1:88 BW (aanvankelijk lid 4) opgenomen.
WVG bracht nog in dat de samenwerking al in 2020 was beëindigd waardoor de boekhouder de facto de volledige zeggenschap over Bieseman had gekregen. WVG was alleen op papier nog aandeelhouder. Dat tussen partijen nog geen overeenstemming over de overdracht van de aandelen was bereikt kon niet voor rekening en risico van WVG komen, aldus WVG.
Wetsgeschiedenis
Maar ook dat zag de rechter anders. Het feit dat de boekhouder feitelijk volledige zeggenschap zou hebben over Bieseman, leidt er niet toe dat hij op grond van artikel 1:88 lid 5 BW geen toestemming van zijn echtgenote nodig had voor de borgstelling. De wetgever heeft namelijk, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis van (oud) artikel 1:88 lid 4, huidig artikel 1:88 lid 5 BW, een eenvoudige, doorzichtige regeling beoogd en heeft de uitzondering daarom willen beperken tot die gevallen, waarin de handelend echtgenote zowel bestuurder is van de besloten of naamloze vennootschap in kwestie én de meerderheid van de aandelen houdt. Dat biedt geen mogelijkheid voor een ruimere uitleg, waarbij in plaats van met deze criteria rekening worden gehouden met de feitelijke situatie. De feitelijke verhouding is immers voor anderen niet eenvoudig te toetsen.
Met andere woorden, de echtgenote had toestemming moeten geven. Omdat dit niet was gebeurd, moest de beslaglegging worden opgeheven.
Lees hier de uitspraak.


Geef een reactie