De werkneemster is sinds april 2018 in dienst bij het internationale advocaten- en notarissenkantoor en verdient 4.778,48 euro bruto per maand. Aan het arbeidsconflict ging een reeks incidenten op haar afdeling vooraf. De vrouw vermoedde dat een collega meerdere keren zijn lunch niet had betaald en bij het uitdelen van chocolade-attenties rond de feestdagen meerdere doosjes voor zichzelf had gehouden.
In april 2025 meldde ze haar vermoedens bij HR. Een maand later verdween een doosje paasbonbons dat voor iemand anders was bestemd. De collega gaf volgens het vonnis desgevraagd toe dat hij het had weggepakt. De werkneemster meldde dat incident niet bij HR, maar waarschuwde hem dat zij dat bij een volgend voorval wel zou doen.
Dat volgende incident kwam in december. Toen de collega verantwoordelijk was voor het uitdelen van kerstchocolaatjes, keek de werkneemster in het ladeblok van zijn bureau en in zijn tas. Daar trof zij doosjes chocolade aan. De vrouw meldde dat bij haar leidinggevende, waarna de collega ermee werd geconfronteerd. In gesprekken die daarop volgden bleek over en weer sprake van een vertrouwensbreuk.
Van melder naar betrokkene
De verhoudingen verslechterden verder. De werkneemster liet in januari weten dat ze zich aan haar lot overgelaten voelde en het idee had dat zij als aanstichtster werd gezien. Op 14 januari meldde ze zich ziek. Na een gesprek met haar leidinggevende en HR schreef zij dat haar vertrouwen ernstig was geschaad en dat zij voor haar gevoel van melder van het incident tot betrokkene was geworden.
De bedrijfsarts concludeerde eind februari dat ze tijdelijk arbeidsongeschikt was, mede door werkgerelateerde omstandigheden. Het advies was om die problemen aan te pakken door met elkaar in gesprek te gaan. Stibbe liet daarop weten dat het loon zou worden stopgezet als de werkneemster niet met haar collega in gesprek ging. Dat gesprek kwam er uiteindelijk op 19 maart. De werkneemster gaf daarbij aan dat samenwerken met de collega voor haar geen probleem was. Met haar leidinggevende en de betrokken HR-medewerkster wilde zij niet samenwerken.
Later gaf de werkneemster aan toch in haar eigen functie te willen terugkeren, maar onder begeleiding van een mediator. Stibbe wilde wel een onafhankelijke gespreksleider, bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon, maar geen mediation. Partijen werden het daar niet over eens, waarna het kantoor per 18 april de loonbetaling stopzette.
De bedrijfsarts adviseerde kort daarna om de gesprekken op korte termijn te laten plaatsvinden onder leiding van een externe en onafhankelijke gespreksleider, bij voorkeur iemand met een mediationachtergrond en met aandacht voor de machtsbalans en een veilige sfeer. Stibbe stelde vervolgens voor een mediator als gespreksleider in te schakelen, maar zonder dat die formeel als mediator zou optreden. De werkneemster hield vast aan mediation, onder meer vanwege de daarbij geldende geheimhouding.
Geen grond voor loonstop
In het kort geding draaide het vervolgens om artikel 7:629 BW. Een zieke werknemer heeft in beginsel gedurende 104 weken recht op ten minste 70 procent van het loon. Dat recht kan onder meer vervallen als de werknemer het herstel belemmert of zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan redelijke voorschriften of maatregelen die zijn gericht op het verrichten van passende arbeid.
Volgens Stibbe deed die situatie zich hier voor: de werkneemster zou haar re-integratie belemmeren doordat zij niet wilde deelnemen aan het gesprek in de vorm die het kantoor voorstelde. De bedrijfsarts had volgens Stibbe bovendien geen mediation geadviseerd.
De kantonrechter volgt die redenering niet. De werkneemster was bereid tot gesprekken, maar wilde dat daarbij geheimhouding gold. Zij had toegelicht dat haar vertrouwen in haar leidinggevende en HR was geschaad door de manier waarop met haar melding was omgegaan en dat zij bij eerdere gesprekken geen veilige sfeer had ervaren.
Daartegenover heeft Stibbe volgens de rechter onvoldoende duidelijk gemaakt welke gerechtvaardigde bezwaren het kantoor tegen geheimhouding had. Ook maakte Stibbe onvoldoende duidelijk waarom het bezwaarlijk zou zijn wanneer personen die niet aan het gesprek deelnamen, niet over de inhoud ervan zouden worden geïnformeerd.
Ook uit het advies van de bedrijfsarts volgde niet dat gesprekken zonder geheimhouding moesten plaatsvinden. De bedrijfsarts had partijen vrijgelaten in de precieze invulling en bovendien een voorkeur uitgesproken voor een mediator. Dat de werkneemster de door Stibbe voorgestelde gespreksleider afwees, maakt haar opstelling volgens de kantonrechter niet onredelijk. Stibbe wilde weliswaar een mediator inschakelen, maar zonder de bij mediation gebruikelijke geheimhouding.
Daarbij speelde nog iets anders. De werkneemster had toegelicht dat zij, juist omdat haar werkgever een advocatenkantoor is, het gesprek wilde laten leiden door iemand die geen advocaat of voormalig advocaat was. De door Stibbe aangedragen gespreksleider was wel advocaat geweest.
De kantonrechter acht daarom voldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de werkneemster haar herstel niet heeft belemmerd en evenmin zonder deugdelijke grond een redelijk voorschrift van de bedrijfsarts heeft geweigerd. Stibbe had de loonstop dus niet mogen opleggen.
Mediation niet afdwingbaar
Dat betekent niet dat de werkneemster haar andere belangrijke eis toegewezen krijgt. Zij wilde dat Stibbe werd veroordeeld om met haar, de HR-medewerkster en haar leidinggevende deel te nemen aan mediation volgens de MfN-regels.
De rechter wijst die vordering af. Mediation berust in beginsel op vrijwilligheid en Stibbe kan daarom niet worden gedwongen eraan deel te nemen. Het is volgens de kantonrechter niet aannemelijk dat een bodemrechter het kantoor daartoe wel zal veroordelen.
Daar voegt de rechter echter aan toe dat in dit concrete geval redelijkerwijs wél van Stibbe kan worden verwacht dat het de door de bedrijfsarts geadviseerde gesprekken binnen het kader van mediation voert, dus met geheimhouding.
Stibbe moet de loonbetaling vanaf 18 april hervatten. Het kantoor moet onder meer 2.070,52 euro bruto aan achterstallig loon over april en 3.492,53 euro aan resterend vakantiegeld betalen, naast het maandelijkse loon vanaf mei zolang de loondoorbetalingsverplichting bestaat. Daar komen wettelijke rente en een tot maximaal 25 procent gematigde wettelijke verhoging bij. Ook moet Stibbe 1.141,67 euro aan proceskosten betalen.


Geef een reactie