
Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat een bv de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting bij verkoop van onroerende zaken mag toepassen. Met dit oordeel overruled het hof het oordeel van zowel de Belastingdienst als de rechtbank Den Haag, die menen dat afsplitsing wordt geacht te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing en dat daarom de splitsingsvrijstelling niet van toepassing kan zijn.
Zendmasten
Een vennootschap exploiteerde tot 2008 een netwerk van ongeveer 2000 zendmasten. Een deel van de zendmasten werd gebruikt ten behoeve van haar eigen telecommunicatienetwerk en een deel werd ter beschikking gesteld aan andere telecomproviders, die tegen marktconforme voorwaarden antennes, schotels en andere transmitters in de zendmasten konden plaatsen.
Sinds 2008 beschouwt de vennootschap de exploitatie van de zendmasten niet langer als kernactiviteit en is zij bezig deze in gedeeltes af te stoten. Op 29 oktober 2012 sluit deze vennootschap een koopovereenkomst met een buitenlands bedrijf. In dat verband splitst de vennootschap 261 zendmasten af naar vier nieuw opgerichte dochtervennootschappen.
Op 19 december 2012 verkoopt de vennootschap de aandelen in deze vier dochtervennootschappen aan een bv voor € 75 miljoen. Deze bv is de indirecte dochtervennootschap van het buitenlandse bedrijf. Vervolgens verhuren de dochtervennootschappen hun zendmasten aan de vennootschap.
Op grond van de koopovereenkomst is een omzetgarantie, die vijftien jaar geldt waarbij jaarlijks een indexatie plaatsvindt, van ruim € 5 miljoen per jaar afgesproken. Op 12 februari 2013 zijn de dochtervennootschappen via een juridische fusie opgegaan in de bv.
Geschil
Het geschil tussen de vennootschap en de inspecteur richt zich met name op het feit of de verkrijging van de zendmasten is vrijgesteld op grond van artikel 15, lid 1, letter h, Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wet BvR) in verbinding met artikel 5c, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (UB BvR).
Net zoals de Belastingdienst meent de rechtbank Den Haag, dat afsplitsing wordt geacht te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing en is daarom de splitsingsvrijstelling niet van toepassing. Maar het hof Den Haag vernietigt in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank. Het hof ziet de bedrijfseconomische en civielrechtelijke voordelen van de gekozen route.
Batches
Door gebruik te maken van de splitsing, zo oordeelt het hof, heeft de vennootschap eenvoudig verkoopklare batches kunnen maken. Door de gekozen samenstelling van een batch is voorkomen dat één partij een monopolypositie heeft verkregen in (een deel van) Nederland.
Bovendien is door de afsplitsing van een batch in een afzonderlijke dochtervennootschap eenvoudig een pakket van bezittingen over te dragen onder algemene titel Deze wijze van overdracht heeft de meeste bescherming geboden tegen contractspartijen die de transactie zouden kunnen vertragen of compliceren.
Het hof meent daarom dat de partijen overwegend bedrijfseconomische en civielrechtelijke belangen hebben gehad bij de afsplitsing. Ook heeft de bv pas geruime tijd na de verkrijging een beroep gedaan op de splitsingsvrijstelling. Dit wijst erop dat deze vrijstelling niet van doorslaggevende aard is geweest bij de keuze voor de afsplitsing.
Fiscale omweg
Volgens de inspecteur kon het gewenste einddoel volgens hem ook bereikt worden door een ‘gewone verkoop’ waarbij de masten (die niet op gehuurde grond staan) via een akte van levering zouden worden overgedragen. Door gebruik te maken van de civielrechtelijke splitsingsfaciliteit terwijl hetzelfde resultaat ook via een andere route mogelijk was waarbij wel overdrachtsbelasting zou zijn verschuldigd, maakt de vennootschap een ‘omweg’.
Het hof merkte daarover op dat pas sprake is van een fiscale omweg als de fiscaal voordelige route niet of minder voor de hand ligt dan een alternatieve route naar hetzelfde einddoel. De belastingbesparing die de vennootschap heeft gerealiseerd met de door haar gekozen route moet dan ook als een logisch gevolg van haar keuzevrijheid worden beschouwd
De inspecteur probeerde het nog door te stellen dat de splitsingsvrijstelling niet van toepassing kan zijn omdat geen onderneming is overgedragen. Het hof reageerde daarop door te stellen: ‘De enkele omstandigheid dat de bij een splitsing de betrokken vennootschappen geen onderneming uitoefenen sluit niet uit dat de splitsing plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen en dus dat de splitsingsvrijstelling toepassing kan vinden.’
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2023:860

Geschil
Geef een reactie