Het wetsvoorstel was al een tijdje in voorbereiding en is onder meer aangepast naar aanleiding van uitspraken van de Hoge Raad over schijnzelfstandigheid. De wet Vbar gaat criteria geven om te beoordelen wanneer iemand werknemer is en wanneer niet. Voor het kabinet lijkt er in elk geval qua tarief wel een ondergrens te zijn: Iemand die minder dan 36 euro per uur verdient als zzp’er moet een sterkere rechtspositie krijgen.
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Eddy van Hijum stelt als kernpunt dat werk zekerheid moet geven. “Als je aangestuurd wordt in je werk en je loopt geen ondernemersrisico, dan ben je een werknemer en heb je recht op de zekerheid die daarbij hoort. En als je echt zelfstandig werkt en onderneemt, dan is daar alle ruimte voor. Daarnaast versterken we de positie van mensen die gedwongen tegen een lager salaris via een zzp-constructie werken.”
Duidelijker criteria, geen andere criteria
Criteria voor werknemerschap zijn onder meer of de opdrachtgever bepaalt wanneer en hoe het werk gedaan moet worden. “Andere criteria toetsen of het werk voor eigen risico gebeurt. Daarbij wordt er ook gekeken of iemand zich buiten het werk als ondernemer gedraagt, bijvoorbeeld door nieuwe klanten te werven. Het wetsvoorstel verduidelijkt deze criteria, maar wijzigt ze inhoudelijk niet ten opzichte van de nu geldende gerechtelijke uitspraken. Door in deze nieuwe wet duidelijk vast te leggen waaraan getoetst wordt, wil het kabinet meer duidelijkheid bieden.”
Rechtsvermoeden bij laag tarief
Wie minder dan 36 euro per uur kan rekenen, kan zelf stellen een werknemer te zijn en een beroep doen op de bijbehorende rechten. “Als de zzp’er een beroep op het vermoeden heeft gedaan, dan is het aan de werkgever om aan te tonen dat er toch geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en er als zelfstandige gewerkt wordt. Ongeveer 15% van de zzp’ers die eigen arbeid leveren, valt onder deze grens.”
Als er sprake is van een arbeidsovereenkomst en daarmee schijnzelfstandigheid, krijgen deze mensen alsnog recht op zwangerschap- en ziekteverlof, ontslagbescherming, werkloosheidsuitkering en een vangnet bij arbeidsongeschiktheid. De werkgever moet de daarvoor verschuldigde premies en belastingen betalen. “Uitvoeringsorganisaties kunnen geen beroep doen op het rechtsvermoeden”, voegt Van Hijum toe. Het ministerie raamt het aantal schijnzelfstandigen zelf op 200.000.
Als de Tweede Kamer instemt met het voorstel, gaat het wetsvoorstel door naar de Eerste Kamer. Als ook de Eerste Kamer instemt wordt het wetsvoorstel volgens planning op 1 juli 2026 van kracht. Er geldt geen overgangsrecht: na inwerkingtreding van de wet kunnen mensen er direct een beroep op doen.


Geef een reactie