De zaak tegen de accountant kwam in 2023 aan het rollen na een klacht van het Openbaar Ministerie. De Accountantskamer stelde toen vast dat de RA tussen 2013 en 2017 had meegewerkt aan het opstellen, betalen en voorhanden hebben van in totaal twaalf facturen met valse informatie. Daarmee had hij volgens de tuchtrechter in ernstige mate de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit geschonden.
Insider
De accountant was diep betrokken. Hij was bestuurder en enig aandeelhouder van meerdere vennootschappen en had nauwe familiebanden met andere betrokkenen. In strafrechtelijke onderzoeken rond georganiseerde criminaliteit en witwassen (de ‘Tandem-zaken’) dook zijn naam op als mogelijke facilitator. Hoewel hij in de strafzaak werd vrijgesproken van gewoontewitwassen, achtte de strafrechter hem wel schuldig aan valsheid in geschrifte en het jarenlang voorhanden hebben van valse facturen. Dat leidde tot een celstraf en een taakstraf.
Structureel
Voor de Accountantskamer woog vooral het structurele karakter van het handelen zwaar. De accountant had volgens de tuchtrechter niet alleen slordig gehandeld, maar bewust geaccepteerd dat facturen zonder reële tegenprestatie werden gebruikt om geldstromen te maskeren. Dat ondermijnde het vertrouwen in het beroep, aldus de tuchtrechter in 2023. De sanctie was fors: doorhaling van de inschrijving voor de maximale termijn van tien jaar.
Hoger beroep
De RA legde zich niet neer bij die beslissing en stelde hoger beroep in bij het CBb. Hij voerde onder meer aan dat zijn handelen niet viel onder het begrip ‘professionele dienst’ in de zin van de gedrags- en beroepsregels voor accountants (VGBA). De facturen zouden zijn opgesteld en betaald in zijn rol als ondernemer en bestuurder, niet als accountant. Daarnaast vond hij dat de Accountantskamer zich te veel had gebaseerd op het toen nog niet onherroepelijke strafvonnis.
Ruim uitgelegd
Het CBb wijst die redeneringen grotendeels van de hand. Het College stelt dat het begrip professionele dienst ruim moet worden uitgelegd en werkzaamheden waarbij vakbekwaamheid kan worden aangewend, vallen daar ook onder. Het opmaken, beoordelen en verwerken van facturen raakt rechtstreeks aan de kern van het accountantsvak. Dat de accountant formeel handelde als bestuurder, doet daar volgens het College niets aan af.
Strafrecht versus tuchtrecht
Ook het argument dat de tuchtrechter had moeten wachten op een onherroepelijke strafrechtelijke uitspraak, verwerpt het Cbb. Het College benadrukt dat strafrecht en tuchtrecht verschillende doelen dienen en naast elkaar kunnen worden toegepast. Waar het strafrecht primair bestraffend is, richt het tuchtrecht zich op het bewaken van de kwaliteit en integriteit van het beroep.
Volgens het College heeft de Accountantskamer bovendien wel degelijk een zelfstandige beoordeling gemaakt. Dat zij daarbij gebruikmaakte van stukken uit het strafdossier, waaronder het vonnis van de rechtbank Amsterdam, is toegestaan. Het enkele feit dat de tuchtrechter zich in onderdelen kon vinden in de strafrechtelijke motivering, betekent niet dat zij haar eigen toetsingskader heeft verlaten.
Valse facturen
Inhoudelijk volgt het CBb de uitspraak van de Accountantskamer. Het College acht aannemelijk dat tegenover de facturen van gelieerde vennootschappen geen concrete werkzaamheden stonden. De facturen waren vaag omschreven en misten elke specificatie van uren, data of resultaten. De accountant kon ook in hoger beroep niet overtuigend aangeven welke prestaties daar tegenover zouden hebben gestaan.
Doorhaling fors lager
Toch valt het oordeel van het Cbb gunstig uit voor de accountant. Het college halveert namelijk zijn doorhaling, van 10 naar 5 jaar. Het CBb onderschrijft dat doorhaling van de inschrijving passend en geboden is, gezien de ernst en duur van de normschendingen, maar de maximale termijn van tien jaar gaat te ver. Daarbij weegt mee dat de accountant niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. In samenhang met de aard van de verwijten acht het CBb een uitsluiting van vijf jaar proportioneel. In theorie zou de accountant vanaf 1 maart 2029 zijn titel weer kunnen gebruiken: de doorhaling werd op eigen verzoek van de accountant effectief per 1 maart 2024.


Geef een reactie