Voor de klant voelt dat vaak als een aparte categorie, los van de rest van het vermogen. Voor de accountant of belastingadviseur is het echter gewoon vermogen dat correct gewaardeerd en aangegeven moet worden. In de praktijk blijkt dat niet altijd vanzelfsprekend te gaan, met name omdat cliënten zelf niet altijd doorhebben dat edelmetaal in hun bezit fiscaal relevant is.
Waardering is het eerste struikelblok
Fysiek goud en zilver vallen doorgaans in box 3, tenzij er sprake is van een zakelijk of beleggingsdoel dat elders wordt belast. Het probleem zit zelden in de vraag of het moet worden aangegeven, maar in de vraag tegen welke waarde. Anders dan bij een banksaldo of een beursgenoteerd effect is er geen automatische, gedateerde waardebevestiging die de cliënt zomaar kan aanleveren. De waarde van goud en zilver schommelt met de dagkoers, en de waarde van sieraden of munten met een numismatische component wijkt bovendien af van de kale metaalwaarde.
Voor de jaarrekening of de aangifte is dat lastig te ondervangen zonder een concreet aanknopingspunt. Sommige cliënten leveren een aankoopbon aan, wat op zich een goed startpunt is, maar niet automatisch de waarde per de peildatum weergeeft. Anderen hebben helemaal geen documentatie, bijvoorbeeld bij geërfde sieraden of munten die al decennia in de familie zijn. In dat laatste geval is een onafhankelijke taxatie vaak de enige manier om tot een verdedigbare waarde te komen. Diverse edelmetaalhandelaren, zoals Goudonline, bieden hiervoor een taxatiedienst aan waarbij het gewicht, gehalte en de actuele metaalwaarde worden vastgesteld en op papier gezet. Dat soort documentatie is precies wat nodig is om een waardering in de aangifte te onderbouwen, mocht de Belastingdienst daar later naar vragen.
Nalatenschappen brengen een extra laag complexiteit
Bij nalatenschappen komt er nog een dimensie bij. Goud en zilver duiken regelmatig op bij boedelbeschrijvingen, en de waarde daarvan is relevant voor zowel de erfbelasting als de verdeling tussen erfgenamen. Een taxatierapport op het moment van overlijden, of zo dicht mogelijk daarbij, voorkomt discussie tussen erfgenamen onderling en geeft de adviseur een houvast bij het invullen van de aangifte erfbelasting. Wordt het edelmetaal pas later verkocht, dan is het verstandig om de taxatiewaarde en de verkoopwaarde afzonderlijk te documenteren, zeker als daar een periode tussen zit waarin de goudprijs is bewogen.
Het komt ook voor dat erfgenamen fysiek goud liever direct verkopen dan aanhouden, bijvoorbeeld om de nalatenschap eenvoudiger te kunnen verdelen. Ook dan is het voor de adviseur nuttig om te weten dat er een transparant en herleidbaar verkoopproces bestaat, met een koopbewijs dat als onderbouwing kan dienen bij latere vragen vanuit de Belastingdienst.
Wat de accountant hiermee kan doen
Concreet betekent dit dat het geen kwaad kan om bij het intakegesprek of de jaarlijkse update expliciet te vragen naar fysiek edelmetaal in bezit, net zoals naar andere vermogensbestanddelen wordt gevraagd. Cliënten vermelden het namelijk niet altijd uit zichzelf, simpelweg omdat ze niet beseffen dat het relevant is. Een korte vraag in de intake, aangevuld met een verzoek om eventuele aankoopbonnen of taxatierapporten mee te sturen, voorkomt dat dit onderdeel van het vermogen pas later in het proces naar boven komt, wanneer de aangifte al grotendeels is voorbereid.
Wijs cliënten daarnaast op het belang van een taxatiedocument bij aanschaf, ontvangst via erfenis of schenking, en bij verkoop. Een gedateerd rapport met gewicht, gehalte en waarde op het moment van de gebeurtenis is precies het soort onderbouwing waar de Belastingdienst bij vragen om vraagt, en het scheelt de adviseur veel uitzoekwerk achteraf. Voor cliënten die twijfelen of hun bezit uberhaupt genoeg voorstelt om te documenteren, is het advies eenvoudig: bij twijfel documenteren, want een taxatie kost weinig tijd en voorkomt discussie die jaren later nog kan spelen, bijvoorbeeld bij een boekenonderzoek of bij verdeling van een nalatenschap.
Fysiek goud en zilver zijn geen exotisch bezit meer, maar wel een bezit dat om een net iets andere manier van dossiervorming vraagt dan de gebruikelijke vermogensbestanddelen zoals spaartegoeden of beleggingsportefeuilles. Wie daar als adviseur alert op is, voorkomt dat een op zich eenvoudige waardering achteraf tot onnodige discussie, onzekerheid of een correctie leidt. Het kost weinig extra moeite om dit als vast onderdeel van de vermogensinventarisatie mee te nemen, en het levert een dossier op dat bestand is tegen latere vragen.


Geef een reactie