De Belastingdienst onderzoekt sinds oktober 2023 of de man fiscaal inwoner van Nederland is en of hij hier belastingplichtig is. De fiscus ziet daarvoor verschillende aanknopingspunten. Zo bezit de man onroerend goed in Nederland, beschikt hij over Nederlandse bankrekeningen, is hij betrokken bij Nederlandse rechtspersonen, heeft hij familie in Nederland en bezit hij de Nederlandse nationaliteit. Volgens de Belastingdienst zijn er daarnaast concrete aanwijzingen dat hij in Nederland werkzaamheden heeft verricht en hier regelmatig verblijft.
Sinds 1992 in buitenland
De man bestrijdt dat hij fiscaal inwoner van Nederland is. Volgens zijn advocaat emigreerde hij al in 1992 en speelt zijn leven zich geheel buiten Nederland af. Zijn gezinswoning, gezinsleden, sociale leven en economische activiteiten bevinden zich volgens hem in het buitenland. Ook zijn huisarts zit daar, hij doet er zijn reguliere bestedingen en houdt er zijn telefoonabonnementen aan. Om dat te onderbouwen heeft de man onder meer een woonplaatsrapportage en een grote hoeveelheid informatie aan de Belastingdienst verstrekt. Later stelde hij in de procedure dat hij daarnaast juridische analyses en documenten had overgelegd, in totaal naar eigen zeggen ‘honderden pagina’s aan stukken’.
Niet voldoende
Dat is volgens de rechter niet voldoende. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst met de verstrekte informatie zijn fiscale woonplaats en eventuele Nederlandse belastingplicht kan vaststellen. Een woonplaatsrapportage op basis van eigen onderzoek kan volgens de rechter bovendien niet worden gelijkgesteld aan het verstrekken van de onderliggende gegevens waarmee de Belastingdienst zelf onderzoek kan doen. De rechter acht voldoende aannemelijk dat de man de door de fiscus gestelde vragen tot nu toe niet of onvolledig heeft beantwoord. Ook is volgens de rechter vooralsnog niet gebleken dat de informatieverzoeken een ontoelaatbare inbreuk op zijn privacy vormen.
Bankafschriften en telefoonrekeningen
De man moet daarom alsnog een omvangrijke hoeveelheid informatie over de jaren 2018 tot en met 2024 verstrekken. Daaronder vallen overzichten en afschriften van zijn Nederlandse en buitenlandse bankrekeningen, debet- en creditcards en telefoonabonnementen. Ook moet hij informatie geven over schulden en vorderingen en over onroerende zaken die hij in Nederland bezit. Daarnaast moet hij aangeven bij welke samenwerkingsverbanden, rechtspersonen en andere vermogens hij betrokken is, welke inkomsten hij uit Nederland heeft ontvangen en welke betaalde werkzaamheden hij in Nederland heeft verricht. Voor 2023 en 2024 moet hij ook opgeven van welke adressen hij tijdens verblijven in Nederland gebruik heeft gemaakt.
Belastingdienst niet vrijuit
Opmerkelijk is dat de Belastingdienst zelf eerder door de rechter werd teruggefloten in het conflict. De fiscus legde de man in augustus 2024 een informatiebeschikking op, waartegen hij bezwaar maakte. De Belastingdienst schortte de termijn om op dat bezwaar te beslissen vervolgens op in afwachting van informatie van buitenlandse autoriteiten. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in november 2025 dat de Belastingdienst daar niet op mocht wachten. De inspecteur moest binnen twee weken alsnog uitspraak op het bezwaar doen en kreeg een dwangsom van 100 euro per dag opgelegd, met een maximum van 15.000 euro. Volgens die rechtbank deed langer wachten op informatie uit het buitenland afbreuk aan de rechtsbescherming van de man. De Belastingdienst is tegen die uitspraak in hoger beroep gegaan. Dat loopt nog.
Toch naar civiele rechter
Dat de Belastingdienst nu via de civiele rechter informatie wil afdwingen, kan volgens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, ook al loopt er nog een procedure over een informatiebeschikking. De rechter legt een dwangsom op van 50.000 euro per dag en vindt dat niet disproportioneel: de Belastingdienst probeert al sinds 2023 antwoord te krijgen op zijn vragen. De dwangsom moet de man ertoe bewegen de gegevens alsnog te verstrekken, zodat de fiscus zich een oordeel kan vormen over zijn fiscale positie. Wel matigde de rechter het door de Belastingdienst gevraagde maximum van 7,5 miljoen euro tot 5 miljoen euro.
Kleine overwinning
Op een ander punt kreeg de Belastingdienst geen gelijk. De fiscus wilde ook afdwingen dat de man toekomstige vervolgvragen zou beantwoorden op straffe van een dwangsom. Dat gaat de rechter te ver, omdat nog niet duidelijk is welke vragen in de toekomst zullen worden gesteld.
Lees hier de uitspraak.


Geef een reactie