De keuze om een lening vervroegd af te lossen om door betaling van een boeterente een fiscaal voordeel te behalen maakt nog niet dat die rente als vooruitbetaalde rente mag worden aangemerkt, oordeelt de Hoge Raad.
Een dga is eigenaar van een woning en heeft een eigenwoningschuld aan een bv waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder is. De overeengekomen rente op deze lening bedraagt 7,9% en de dga is bij vervroegde aflossing een boeterente verschuldigd gelijk aan de door de bv over de resterende looptijd gederfde rente-inkomsten.
De dga betaalt in 2015 een bedrag van € 25.000 aan de bv ter gedeeltelijke aflossing van zijn schuld. Op 7 december 2016 maakt hij een bedrag van € 25.000 over aan de bv met de omschrijving ‘extra aflossing lening’. Vanwege deze vervroegde aflossing moet de dga zijn bv € 34.078,49 aan boeterente betalen. Vervolgens neemt hij in 2016 € 25.000 van de bv op en betaalt over dit doorlopend krediet een rentepercentage van 6%. De dga leent op 28 december 2016 € 50.000 van de bv en deze lening die een looptijd heeft van 25 jaar heeft voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die van de oude hypotheek, met dien verstande dat het rentepercentage 4,2% per jaar is.
Betaalde boeterente niet aftrekbaar
Hof Den Haag deelt het standpunt van de inspecteur van de Belastingdienst dat de betaalde boeterente niet aftrekbaar is omdat het gaat om vooruitbetaalde rente. De dga beweert dat het bedrag van € 34.079 in 2016 aftrekbaar is als boeterente wegens het vervroegd aflossen van een eigenwoningschuld. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake is van herfinanciering van de oude lening door middel van de lening van € 50.000 en dat hij daarom recht heeft op aftrek van boeterente.
Volgens het hof heeft de dga met de aflossing van € 25.000 uit eigen middelen, het vervolgens opnemen van een gelijk bedrag uit het doorlopende krediet met de bv en het aangaan van de lening van € 50.000 met een lager rentepercentage dan gold voor de oude lening een fiscaal voordeel willen behalen door de aftrekbare rente naar voren te halen.
Het hof oordeelt dat voor de toepassing van het fiscale recht ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van vooruitbetaalde rente als bedoeld in artikel 3.120, lid 3, letter a, Wet IB 2001. Dit ligt volgens het hof in feite ook besloten in de stelling van de inspecteur dat in 2016 geen sprake is van een aflossing van de eigenwoningschuld.
In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven. Het bedrag dat bij vervroegde aflossing van een eigenwoningschuld moet worden betaald aan een leningverstrekker ter compensatie van de rente die deze derft als gevolg van die vervroegde aflossing, zogenoemde boeterente, is aftrekbaar als kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld.
Fiscale afweging niet bepalend
De enkele omstandigheid dat de dga ervoor heeft gekozen een lening vervroegd af te lossen om door betaling van de boeterente een fiscaal voordeel te behalen, brengt niet mee dat die rente is aan te merken als vooruitbetaalde rente, aldus de Hoge Raad. Het oordeel dat in 2016 feitelijk geen aflossing heeft plaatsgevonden blijft wel in stand.
De Hoge Raad kan zich wel vinden in het subsidiaire standpunt van de dga dat boeterente die is betaald bij het oversluiten van een lening ter financiering van een eigen woning onmiddellijk aftrekbaar is voor zover die boeterente zakelijk is. Dat was in het jaar 2016 ook al geldend recht. Daarom verwijst de Hoge Raad de zaak naar hof Amsterdam voor nader onderzoek. Voor zover in de verwijzingsprocedure komt vast te staan dat sprake is van een herfinanciering van de oude lening, is de boeterente in 2016 aftrekbaar voor zover die met het oog op een dergelijke herfinanciering zakelijk is.


Geef een reactie