Een dochter ontvangt in 2012 een schenking van € 22.000,- van haar vader waarvoor zij de eenmalig verhoogde vrijstelling toepast. De inspecteur verleent de vrijstelling conform de ingediende vrijstelling. In april 2018 koopt de nicht van de dochter een woning van haar ouders. Op 1 november 2018 schenkt de vader van de dochter een bedrag van € 100.800,- aan de nicht. Op vrijwel hetzelfde moment, 2 november 2018, schenkt de oom ook een bedrag van € 100.800,- aan de dochter.
In de aangiften schenkbelasting voor de schenkingen op 1 november 2018 en 2 november 2018 wordt een beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling ten behoeve van de eigen woning als bedoeld in artikel 33, aanhef en onder 5 en 7 van de Successiewet 1956 (de eigenwoningvrijstelling). De vader van de dochter doet in december 2018 een schenking van € 100.800,- aan zijn dochter die daarvoor in maart 2019 een woning koopt. De inspecteur weigert echter het beroep op de eigenwoningvrijstelling in de aangifte schenkbelasting op grond van artikel 82a, tweede lid, van de Successiewet 1956.
Schenking op grond van derdenbeding
De inspecteur legt op 5 november 2020 de definitieve aanslag schenkbelasting voor de schenking op 2 november 2018 van de oom aan de dochter op en verleent daarbij de eigenwoningvrijstelling conform de ingediende aangifte. De inspecteur laat de dochter in een brief van oktober 2023 weten dat hij van plan is een navorderingsaanslag schenkbelasting aan de dochter op te leggen.
De inspecteur stelt vast dat er geen sprake was van een schenking van de oom aan de dochter, maar van een schenking op grond van een derdenbeding van de vader aan de dochter. Uit de feiten leid de inspecteur af dat de vader en de oom zijn overeengekomen om te schenken aan elk het kind van de ander, met de bedoeling om hun eigen kind te bevoordelen. Omdat de dochter al eerder gebruik heeft gemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling over een schenking van de vader in 2012, kan voor de schenking van 2 november 2018 geen gebruik worden gemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling ten behoeve van de eigen woning.
Familieband aanleiding voor nieuw feit
De inspecteur verklaart het bezwaar van de dochter tegen de navorderingsaanslag ongegrond en de dochter probeert haar gelijk te krijgen voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De inspecteur stelt dat hij voor de correctie van de eigenwoningvrijstelling beschikt over een nieuw feit waardoor hij mag navorderen. De inspecteur stelt dat hem pas in 2023, tijdens de behandeling van een aangifte schenkbelasting ter zake van de schenking op 12 december 2018 aan de dochter, duidelijk werd dat er een verband bestaat tussen de schenkingen op 1 november 2018 en 2 november 2018.
De rechtbank acht aannemelijk dat de familieband tussen de schenkers van de schenkingen op 2 november 2018 en 12 december 2018 in samenhang bezien met de omvang van die schenkingen voor de inspecteur aanleiding was tot nader onderzoek. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat de informatie over de schenking op 1 november 2018 aan de nicht van de dochter al eerder, dus ook niet ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag schenkbelasting ter zake van de schenking op 2 november 2018, in het (fiscale) dossier van de dochter aanwezig was (of aanwezig had moeten zijn).
Naar het oordeel van de rechtbank was de inspecteur in dit geval dus niet verplicht het belastingdossier te raadplegen van de nicht van de dochter. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur formeel bevoegdelijk heeft nagevorderd.
Artikel 33, Successiewet 1956
De rechtbank overweegt dat volgens artikel 33, aanhef en sub 5, onder letter c, en sub 7, SW 1956 een beroep op de verhoogde vrijstelling kan worden gedaan tot een bedrag van. € 100.800,- als het gaat om een schenking ten behoeve van een eigen woning. Bij de verruiming van de eigenwoningvrijstelling en later bij de behandeling van het Belastingplan 2016 is aandacht gevraagd voor de mogelijkheid van het zogenoemde kruislings schenken.
Daarvan is sprake in het geval waarin een ouder in plaats van € 201.600,- aan zijn kind te schenken, aan dit kind een bedrag van € 100.800,- schenkt en dit kind via een derde alsnog € 100.800,- ontvangt, omdat de ouder aan het kind van die derde ook € 100.800,- schenkt onder de voorwaarde dat die derde op zijn beurt € 100.800 aan het kind van de ander schenkt.
Fiscaalrechtelijke herkwalificatie
De inspecteur stelt dat in dit geval een fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten dient plaats te vinden of fiscaalrechtelijke herkwalificatie op basis van fraus legis dient plaats te vinden. De rechtbank begrijpt het standpunt van de inspecteur zo dat de schenking verkregen van de oom van de dochter een schenking was van, of moet worden gezien als eigenlijk afkomstig van, de vader van de dochter. Dit omdat de dochter de schenking heeft ontvangen van de oom, terwijl het kind van deze oom eenzelfde schenking op bijna hetzelfde moment heeft ontvangen van de vader van de dochter.
De dochter stelt dat het binnen haar familie niet ongewoon is om bedragen van gelijke omvang te schenken zonder tegenprestatie en dat de gezondheidssituatie van haar tante het tijdstip van de schenking aan haar heeft beïnvloedt waardoor beide schenkingen kort na elkaar hebben plaatsgevonden. Zij voert ook nog aan dat haar vader enkele jaren later ook een schenking aan haar neef heeft gedaan, waardoor haar nicht en haar neef per saldo meer hebben ontvangen dan zijzelf.
Eigenwoningvrijstelling eenmalig van toepassing
De rechtbank overweegt dat uit de wettekst en daaraan ten grondslag liggende wetsgeschiedenis volgt dat het doel en de strekking van de (verruimde) eigenwoningvrijstelling voor het betreffende jaar inhoudt dat deze vrijstelling op door ouders gedane schenkingen aan hun kinderen, slechts eenmalig toepassing vindt. En wel op de in één kalenderjaar gedane schenkingen tot een maximum van € 100.800,-.
In de wetsgeschiedenis, zo overweegt de rechtbank verder, is expliciet aan de orde gekomen dat indien een begiftigde van verschillende schenkers € 100.800,- ontvangt voor de eigen woning, de vrijstelling van € 100.800,- voor ieder van die schenkingen geldt. Daarbij is aan de orde geweest dat de wetgever de mogelijkheid van het kruislings schenken ongewenst acht. Het is dus al van meet af aan duidelijk dat de wetgever kruislings schenken niet heeft gewild.
Ongewenste vorm van kruislings schenken
De rechtbank overweegt dat de gegeven feiten en rechtshandelingen erop duiden dat ten aanzien van de schenkingen op 1 november 2018 en 2 november 2018 in samenhang bezien sprake is van de door de wetgever ongewenst geachte vorm van kruislings schenken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vermogensverschuivingen in omvang exact gelijk aan elkaar zijn (beide € 100.800,-), binnen familieverband, dat deze binnen een tijdsbestek van slechts één dag hebben plaatsgevonden en dat beide schenkingen ertoe strekten gebruik te maken van de eigenwoningvrijstelling.
De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat tussen de schenkingen op 1 november 2018 en 2 november 2018 afstemming heeft plaats hebben tussen vader en oom in de zin van en kort gezegd ‘ik schenk aan jouw kind, met de bedoeling dat jij dan aan mijn kind schenkt’. Dit zodat en met het doel dat ieder kind (nichten van elkaar) ongeveer € 200.000,- onbelast konden ontvangen voor de aankoop van een woning. Dit kruislings schenken brengt mee dat in het dit geval doel en strekking van de Successiewet 1956 wordt doorkruist, nu daardoor tweemaal aanspraak wordt gemaakt op de eigenwoningvrijstelling die per ouder-kindrelatie slechts éénmaal kan worden benut.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2025:4732


Geef een reactie