Een vrouw die in België woont heeft, gedurende anderhalf jaar, een latrelatie gehad met een man die in 2019 overlijdt. De overleden man en vrouw hebben niet samengewoond. De man heeft twee zoons die de enige erfgenamen zijn. Op 20 juni 2019 sluiten de twee zoons en de vrouw een vaststellingsovereenkomst. Hierin is onder meer opgenomen dat de vader voornemens was om bij overlijden op enigerlei wijze in de verzorging van de vrouw te voorzien. Ook is opgenomen in de overeenkomst dat op de zoons een dringende morele verplichting rust van zodanige aard dat naleving daarvan als voldoening van een aan de vrouw toekomende prestatie (natuurlijke verbintenis) moet worden aangemerkt.
Geen dringende morele verplichting van de vader of de zoons
Op grond van deze verplichting betalen de twee zoons aan de vrouw ieder een bedrag van € 250.000. In de aangiften schenkbelasting doet de vrouw een beroep op de vrijstelling van artikel 33, aanhef en onder 12°, van de Successiewet 1956. De inspecteur past bij het opleggen van de aanslagen de vrijstelling niet toe. Hij betwist dat er voor de zoons tegenover de vrouw een dringende morele verplichting bestond tot nakoming van prestaties tot voorziening in haar levensonderhoud.
Voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant en later voor het hof ‘s-Hertogenbosch gaat het erom of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen ten onrechte de vrijstelling op grond van artikel 33, aanhef en onder 12°, van de SW niet heeft toegepast. Meer specifiek is in geschil of de beide aan de aanslagen ten grondslag liggende schenkingen zijn vrijgesteld van schenkbelasting omdat deze hebben ‘gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis’ als bedoeld in artikel 6:3 Burgerlijk Wetboek.
De vrouw stelt dat er wel degelijk een dringende morele verplichting tijdens het leven van de man jegens haar is ontstaan tot voorziening in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen. Door de twee zoons is hieraan gevolg gegeven door de twee schenkingen. De vrouw voegt daaraan toe dat de beide verkrijgingen hun grond vinden in een dringende morele verplichting van de beide zoons tegenover haar. De vrouw is van mening dat een natuurlijke verbintenis van de overledene op zijn zoons kan vererven.
Handgeschreven, niet ondertekend stuk
Als onderbouwing voor haar standpunt overlegt de vrouw in hoger beroep afschriften van op haar naam gestelde belastingaanslagen van de Belgische Belastingdienst, bankrekeningen en foto’s. De vrouw overlegt ook een handgeschreven, niet ondertekend stuk van de vader waarin de verzorgingswens voor haar is geuit. Zij stelt daarbij dat een dergelijk schriftelijk stuk niet vereist is om een natuurlijke verbintenis aan te nemen. En dat het voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis niet vereist is dat sprake is van samenwoning of het gezamenlijk hebben van kinderen.
De inspecteur stelt dat, ook al zou sprake zijn van een natuurlijke verbintenis van de overledene jegens de vrouw, zodat zij na zijn overlijden in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien, die verbintenis niet kan vererven. De schenkingen zijn door de zoons van overledene gedaan en de inspecteur betwist dat er voor de zoons tegenover de vrouw een dringende morele verplichting bestond tot nakoming van prestaties tot voorziening in het levensonderhoud van de vrouw.
De inspecteur is het ook niet eens met de stelling van de vrouw dat de dringende morele verplichting is ontstaan vanwege de door haar uitzonderlijk verrichte prestatie. De inspecteur stelt dat eerder sprake is van het omgekeerde: uit vrijgevigheid van de overledene mocht de vrouw gratis verblijven in een van zijn woningen en ontving zij betalingen voor levensonderhoud van haarzelf en voor haar kinderen.
Objectieve maatstaf
Het hof overweegt dat in artikel 6:3 BW is bepaald dat een natuurlijke verbintenis bestaat wanneer iemand tegenover een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, hoewel rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.
De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf. Aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, komt geen beslissende betekenis toe. Bij de beantwoording van de vraag of naar objectieve maatstaven sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, moet mede acht worden geslagen op de omstandigheden ten tijde van het verrichten van de prestatie, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.
Geen verplichting van de vader, geen verplichting van de zoons
Het hof acht het niet aannemelijk dat de door de vrouw verkregen schenkingen zijn gedaan ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis vanwege een op de overledene rustende dringende morele verplichting. Ook als aan het handgeschreven briefje de betekenis wordt toegekend die de vrouw eraan hecht, volgt daaruit volgens het hof niet dat een dringende morele verplichting van de overledene tot uitvoering is gekomen. Hij heeft er zelf geen invulling aan gegeven en heeft zijn erfgenamen of anderen daar ook niet toe aangezet.
Er bestond ook geen opdracht vanuit de nalatenschap. Het handgeschreven briefje kan niet tot de uiterste wil van de overledene worden gerekend en heeft geen betekenis gehad voor de nalatenschap.
Het hof is ook van oordeel dat geen sprake is van het nakomen door de zoons van een op hen rustende dringende morele verplichting, al dan niet daarmee ook invulling gevend aan de wens van hun vader. Los van wat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen, acht het hof niet aannemelijk dat de zoons zich genoodzaakt hebben gevoeld tegenover de vrouw een natuurlijke verbintenis na te komen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld of sprake is van een zodanige verbintenis. Aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, komt geen beslissende betekenis toe.
Stiefmoeder
Het hof acht het van belang dat de zoons niet alleen een dringende morele verplichting dienen te ervaren uit piëteit voor hun overleden vader, maar deze ook zelf tegenover de vrouw moeten ervaren. Dat laatste acht het hof niet aannemelijk geworden. Tijdens de zitting van het hof verklaarde de vrouw dat zij, gegeven haar leeftijd, door de zoons niet als stiefmoeder kon worden gezien. Het hof is ook verder niet gebleken van een bijzondere relatie van de vrouw tot de zoons die zou nopen tot het bestaan van een natuurlijke verbintenis. Uit verklaringen in de stukken volgt volgens het hof eerder dat geen sprake was van een warme band.
Het hoger beroep van de vrouw op de vrijstelling van artikel 33, aanhef en onder 12°, van de SW is ongegrond. Daarom zijn de verkrijgingen van elk € 250.000 niet vrijgesteld en worden de aanslagen schenkbelasting gehandhaafd.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2026:1128


Geef een reactie