Een dga heeft sinds het einde van de jaren negentig een aandelenbelang van 9,72% in een NV die in 2013 in liquidatie is getreden. In het kader van de liquidatie ontvangt de dga in 2013 zijn aandeel in het kapitaal van € 16.110,- terug en ook een bedrag van € 7.019,- aan agio en een liquidatie-uitkering van € 73.370,-. Op die twee laatste bedragen is dividendbelasting ingehouden.
In zijn aangifte IB/PVV over 2013 geeft hij geen inkomen uit aanmerkelijk belang aan. Hij verzoekt de inspecteur de aanslag IB/PVV 2013 ambtshalve te verminderen wegens een verlies uit aanmerkelijk belang. De inspecteur wijst dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking af. De dga maakt bezwaar tegen de uitspraak op bezwaar en vangt ook bot bij de rechtbank Noord-Nederland voor het beroep dat hij doet. De zaak komt voor bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Verkrijgingsprijs aandelen moet hoger zijn dan overdrachtsprijs
Het geschil voor het hof draait om de vraag of de inspecteur terecht geen verlies uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen. Niet in geschil is dat de dga in 2013 een aanmerkelijk belang bezat in de NV. Het hof overweegt dat voor het vaststellen van een verlies uit aanmerkelijk belang moet komen vast te staan dat de verkrijgingsprijs van zijn pakket aanmerkelijkbelangaandelen in de NV hoger is dan zijn in 2013 gerealiseerde overdrachtsprijs. De bewijslast hiervoor rust op de dga.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de dga geen zicht heeft verschaft op de verkrijgingsprijs van zijn aandelen in de NV zodat de aanspraak op een verlies uit aanmerkelijk belang niet kan worden gehonoreerd. Het hof neemt aan dat de dga zijn aandelen in de BV in de jaren negentig en reeds daarvoor heeft verworven.
Van belang is, naar het oordeel van het hof, dat in artikel I, AB, lid 1 en onderdeel a, van de Invoeringswet Inkomstenbelasting 2001 een bepaling is opgenomen voor de berekening van inkomen uit aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 2001. De verkrijgingsprijs van aandelen die reeds tot het vermogen van de belastingplichtige behoorden op 1 januari 2001, wordt per die datum gesteld op de verkrijgingsprijs zoals die gold voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Ingrijpende wijziging in regime aanmerkelijk belang
Het hof roept in herinnering dat de regeling van het aanmerkelijk belang voor de toepassing van die wet per 1 januari 1997 zeer ingrijpend is gewijzigd. Met ingang van 1 januari 1997 was sprake van een aanmerkelijk belang indien de belastingplichtige voor tenminste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder was. In de periode tot en met 31 december 1996 gold voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang een belang ter grootte van een percentage van tenminste 33,33% in het nominaal gestorte kapitaal van de vennootschap.
Het hof overweegt dat deze wijziging in het regime van het aanmerkelijk belang met zich mee bracht dat een pakket aandelen dat in 1996 niet kwalificeerde als een aanmerkelijk belang dat per 1 januari 1997 door de wetswijziging wel kon zijn geworden. Voor de verkrijgingsprijs van dergelijke aandelen werd echter niet uitgegaan van de historische verkrijgingsprijs van die aandelen maar van de waarde in het economische verkeer van die aandelen per 1 januari 1997.
Waarde aandelen per 1 januari 1997 bepalend
Voor de dga betekent dit, naar het oordeel van het hof, dat de dga met betrekking tot zijn pakket aandelen in de NV dat hij reeds vóór 1 januari 1997 had verworven (en waarvan mag worden aangenomen dat dit pakker de 5%-grens overschreed) niet de verkrijgingsprijs van dat pakket aannemelijk dient te maken, waarvan de inspecteur en de rechtbank van zijn uitgegaan, maar de waarde in het economische verkeer per 1 januari 1997. Dat betekent dat de discussie tussen partijen over de betrouwbaarheid van de door de NV ingebrachte aankoopnota’s in zoverre betekenisloos is.
Omdat de maatstaf van ‘de waarde in het economische verkeer’ niet eerder in het dossier een rol speelde en dit punt eerst tijdens de zitting van het hof in hoger beroep is besproken met partijen, heeft het hof overwogen om het onderzoek ter zitting te schorsen en het vooronderzoek te hervatten. Dit met de bedoeling om de dga daarmee de gelegenheid te bieden bewijs te leveren met betrekking tot de (gezochte) waarde in het economische verkeer van het pakket aandelen in de NV dat de dga op 1 januari 1997 bezat.
Niet geslaagd in bewijslast
De dga heeft tijdens de zitting echter meermalen aangegeven dat hij dat bewijs, mede gelet op het lange tijdsverloop, niet zal kunnen leveren. Daarom ziet het hof ervan af om de zaak aan te houden. Het hof oordeelt dat de dga niet geslaagd is in zijn bewijslast met betrekking tot de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het pakket aandelen in de NV dat hij op 1 januari 1997 bezat.
Het hof is verder van oordeel dat voor zover de dga na 1 januari 1997 aandelen in de NV heeft bijgekocht, voor die aandelen geldt dat daarvan de door de dga opgeofferde verkrijgingsprijs moet worden bepaald. Ook voor die aandelen is de dga niet in zijn bewijslast geslaagd. De in hoger beroep overgelegde stukken inzake een NV uit 1962 zeggen niets over de verkrijgingsprijs van het aandelenpakket van de dga in de in 2013 in liquidatie getreden NV.
Nu niet is komen vast te staan wat de (relevante) verkrijgingsprijs van de aandelen van de dga in de NV is, kan zijn aanspraak op een verlies uit aanmerkelijk belang daarom niet worden gehonoreerd en verklaart het hof het hoger beroep ongegrond.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2025:5034


Geef een reactie