De toezichthouder heeft eerder dit jaar een verkenning gedaan naar de manier waarop externe accountants hun verantwoordelijkheid nemen bij de controle van (dis)continuïteit. “Externe accountants geven over het algemeen serieuze aandacht aan de aanpak van (dis)continuïteit in de wettelijke controle”, is de conclusie. Maar ondanks de stijgende lijn in het signaleren van continuïteitsbedreigingen kan het nog wat beter, aldus de AFM. “Het blijft belangrijk dat externe accountants voldoende aandacht blijven besteden aan het onderwerp (dis)continuïteit en blijven werken aan het versterken van de professioneel-kritische instelling.”
De verkenning is gedaan via interviews met externe accountants. die “over het algemeen serieuze aandacht geven aan de uitdagingen die komen kijken bij het evalueren van de geschiktheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling”. Wel zijn de uitdagingen complex. “Als voorbeeld wordt genoemd de toekomstgerichtheid van de controle-informatie; die toekomstgerichtheid maakt het toetsen van deze informatie lastiger. Ander voorbeeld zijn de snelle en soms niet te voorziene ontwikkelingen in de buitenwereld.”
Onvoldoende afstand
De AFM vroeg ook data op bij accountantskantoren over de periode 2021-2024 en die duidt op een toename van het aantal gevallen dat een materiële onzekerheidsparagraaf is opgenomen in controleverklaringen bij controlecliënten die later failliet zijn gegaan: dat is in 46% van de gevallen gebeurd. In de gevallen waar de laatste controleverklaring is afgegeven binnen het jaar voorafgaand aan
het faillissement, heeft de externe accountant in 60% van de gevallen een materiële
onzekerheidsparagraaf opgenomen in de controleverklaring. “Daarmee lijkt sprake te zijn van een
stijgende lijn.” In een studie over de periode 2012-2020 komt namelijk naar voren dat toen bij 37% van de laatste controles een dergelijke paragraaf werd opgenomen. Maar het glas is ook (bijna) halfleeg, vindt de AFM: “In een substantieel aantal gevallen (40%) lijkt er op basis van onze data dus geen materiële onzekerheidsparagraaf opgenomen te zijn in controleverklaringen afgegeven binnen het jaar voorafgaand aan het faillissement.”
En dus zijn er nog altijd gevallen waarin externe accountants hun verantwoordelijkheid ten aanzien van (dis)continuïteit in wettelijke controles onvoldoende hebben opgepakt, vindt de toezichthouder. De geïnterviewde accountants geven aan dat onvoldoende afstand tot de controlecliënt en het ontbreken van een breed en samenhangend (holistisch) begrip van de controlecliënt en haar omgeving daarbij een rol spelen. Andere factoren die de AFM noemt, zijn het onthouden door het bestuur van relevante
informatie aan de externe accountant.
In zo’n 70% van de gevallen waar de externe accountant geen materiële onzekerheidsparagraaf heeft
opgenomen, is de strekking van de verklaring goedkeurend. In gevallen waar de externe accountant kiest
voor oordeelonthouding of verklaring met beperking, ziet de AFM in minder dan 25% van de gevallen dat dit komt door discontinuïteit.
Geen verder onderzoek, wel verwachtingen
Al met al gaat de vlag nog niet uit bij de AFM: “We zijn gematigd positief over de uitkomsten van deze verkenning; ze geven nu echter geen aanleiding voor een verdiepend onderzoek. We vinden het belangrijk dat de sector verder blijft werken aan het versterken van de professioneel-kritische instelling. Daarom geven wij de sector in ons rapport een aantal verwachtingen mee voor haar aanpak van (dis)continuïteit.”
De AFM verwacht dat externe accountants:
- een goed begrip hebben van hun controlecliënt, diens omgeving en factoren die relevant zijn
voor de continuïteit van de onderneming (NV COS 570.10, 570.11 en 315); - een professioneel-kritische instelling hanteren;
- zich bewust zijn van het palet aan controleverklaringen dat zij kunnen gebruiken;
- hun controlecliënten wijzen op de deponeringsplicht van de jaarrekening bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel;
- niet bewust wachten met het afgeven van een controleverklaring – louter om onzekerheid over de toekomst van de onderneming te verminderen.
Daarnaast verwacht de AFM van accountantsorganisaties dacth zij aandacht hebben voor gedrag en cultuur en zorgen voor procedures en richtlijnen om gebeurtenissen en omstandigheden die gerede
twijfel over de continuïteit kunnen oproepen, tijdig te signaleren en hier opvolging aan te geven.
“Hieronder valt ook, maar dit is niet beperkt tot, het opstellen van richtlijnen voor interne en externe consultatie, het aanbieden van trainingen (waarin aandacht wordt besteed aan het ontwikkelen van een brede blik en tijdige herkenning van signalen en rode vlaggen), het houden van leersessies, het delen van good en bad practices en het op centraal niveau monitoren van cliëntrisico’s.”



Geef een reactie