De klager is een particulier die eerder in conflict was geraakt met de stadautoriteiten. Die stad had zijn woning aangemerkt als leegstaand, waardoor hij leegstandbelasting moest betalen. De man vermoedde misstanden bij het lokale bestuur en drong aan op een forensische audit. De interne auditdienst van de stad voerde daarop een onderzoek uit en publiceerde in 2020 een rapport.
In 2021 liet dezelfde auditdienst een quality assurance review (QAR) uitvoeren door een Nederlands adviesbureau. In dat rapport concludeerde de accountant dat de interne auditfunctie “generally conforms” aan de internationale standaarden van het Institute of Internal Auditors (IIA).
Rapport ondeugdelijk
De klager stelde dat de accountant bij zijn evaluatie essentiële onderdelen had overgeslagen. Zo zou hij niet hebben onderzocht of de auditdienst bij forensische onderzoeken voldeed aan de IIA-standaarden en zouden eerdere klachten van de klager buiten beschouwing zijn gelaten. Ook betwijfelde hij de onafhankelijkheid van de auditdienst en vond hij dat het rapport misleidend was, omdat het volgens hem de indruk wekte van een formeel assurance-rapport.
‘Opdracht beperkt’
De accountant voerde aan dat zijn opdracht beperkt was tot een reguliere externe evaluatie van de interne kwaliteitsbewaking van de lokale overheid, zoals voorgeschreven in de IIA-standaard 1312. Het betwiste forensische rapport uit 2020 viel buiten de onderzoeksperiode en maakte daarom geen deel uit van de dossierselectie. Volgens de accountant was er bovendien geen informatie beschikbaar die aanleiding gaf om dat rapport alsnog te betrekken.
Hij benadrukte dat het QAR-rapport geen assurance-rapport in de zin van de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS) is, maar een evaluatie bedoeld voor intern gebruik. De gebruikte terminologie kon volgens hem mogelijk tot verwarring leiden, maar de aard van de opdracht was helder omschreven.
Geen reden tot verwijt
De tuchtrechters zagen geen aanleiding de accountant een verwijt te maken. De Accountantskamer stelde vast dat het rapport niet bedoeld was om zekerheid te verschaffen over specifieke gegevens, maar om te beoordelen of de auditdienst voldeed aan de IIA-standaarden.
Volgens de uitspraak heeft de accountant voldoende onderbouwd waarom het rapport uit 2020 niet werd meegenomen en waarom de kwalificatie “generally conforms” gerechtvaardigd was. Er waren geen aanwijzingen dat de bevindingen op een ondeugdelijke grondslag berustten.
Ook het verwijt dat de accountant zijn rapport had moeten herzien of intrekken, wees de tuchtrechter van de hand: de nieuwe informatie van klager was niet relevant voor de oorspronkelijke evaluatie. Klager kan binnen zes weken beroep tegen de beslissing instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Lees hier de uitspraak.



Geef een reactie