Een BV verhuurt bedrijfsruimten en terreinen aan een huurder. In de huurovereenkomst is geopteerd voor met omzetbelasting belaste verhuur. De huurder is in 2018 failliet verklaard. Na het faillissement van de huurder stelt het college van Gedeputeerde Staten de BV aansprakelijk voor de opruimingskosten van het verhuurde terrein. Omdat de BV binnen de gestelde termijn geen gehoor geeft aan de aan haar opgelegde last onder bestuursdwang schakelt het college zelf een afvalverwerkingsbedrijf in om de terreinen schoon te maken.
College verhaalt kosten op BV
Het afvalverwerkingsbedrijf stuurt voor deze werkzaamheden twee facturen van in totaal een bedrag van ruim € 226.000.000,- inclusief een bedrag van in totaal € 39.000,- aan omzetbelasting. De facturen zijn gericht aan het college. Het college verhaalt de kosten vervolgens op de BV die tegen dat besluit van het college procedeert. De BV wordt echter in het ongelijk gesteld waarna de BV de betreffende kosten aan het college betaald en in de aangifte omzetbelasting een verzoek doet om aftrek van de op de facturen vermelde omzetbelasting. De inspecteur wijst het verzoek af.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant overweegt dat het in artikel 15 van de Wet OB gaat over “de belasting die in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur”. De BV stelt dat zij afnemer is van de prestatie en daardoor recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die staat vermeld op de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf.
Dienst verleend als rechtsbetrekking is aangegaan
De rechtbank overweegt dat een dienst aan de ondernemer wordt verleend, als de ondernemer die de dienst verleent daarvoor met de ondernemer een rechtsbetrekking is aangegaan. Daaraan verandert niets als een of meer anderen dan de ondernemer belang hebben of gebaat zijn bij de desbetreffende levering of dienst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht, gelet op het algemeen belang, handhavend mogen optreden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de kosten van bestuursdwang redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de BV zouden moeten komen.
De rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval de verplichting had handhavend op te treden. Het college is daarvoor een rechtsbetrekking aangegaan met het afvalverwerkingsbedrijf. Daarmee is de dienst aan het college verleend en niet aan de BV. Dat de kosten door het college zijn verhaald op de BV is daarbij niet van belang. De BV had immers geen rechtsbetrekking met het afvalverwerkingsbedrijf.
Leerstuk van doorlopende kosten en neutraliteit
De BV stelde nog dat de omzetbelasting die staat vermeld op de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf voor aftrek in aanmerking komt, omdat sprake is van het leerstuk van doorlopende posten. Volgens de BV zorgt een behandeling als een doorlopende post ervoor dat de neutraliteit van de omzetbelasting niet wordt aangetast. De rechtbank begrijpt die stelling van de BV zo dat de BV van mening is dat de omzetbelasting niet op haar als ondernemer mag drukken. In deze stellingen volgt de rechtbank de BV niet.
Het college heeft niet op naam van en voor rekening van de BV gehandeld, maar heeft zelfstandig opdracht gegeven aan het afvalverwerkingsbedrijf. Van een doorlopende post is dan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank verwerpt ook het standpunt dat de btw op de verhuurder mag worden afgewenteld omwille van de neutraliteit. Een eventueel aftrekrecht behoort toe aan de afnemer van de prestatie en dat is in het onderhavige geval het college en niet de BV. Van een aantasting van de neutraliteit zoals de BV is dan geen sprake.
De aftrek van voorbelasting is terecht geweigerd en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2025:7514



Geef een reactie