De zaak draait om een zakelijk conflict tussen een bedrijf en een accountantskantoor waarvoor de betrokken accountant werkte. De BV had met het kantoor een overeenkomst gesloten voor het verzorgen van loonadministratie voor haar klanten. Die samenwerking begon eind januari 2025, maar liep volgens de BV al snel spaak. In juni 2025 liet de onderneming per e-mail weten dat de dienstverlening niet naar wens verliep en stelde zij het accountantskantoor aansprakelijk voor schade.
In die aansprakelijkstelling wees het bedrijf onder meer op het vertrek van een klant, een kinderdagverblijf, dat zou zijn overgestapt naar een ander accountantskantoor. Dat vertrek werd door de BV mede toegeschreven aan problemen met de loonadministratie. De e-mail met de aansprakelijkstelling werd in cc gestuurd aan de betrokken accountant, die binnen het kantoor verantwoordelijk was voor relatiebeheer en interne zaken, maar niet voor de inhoudelijke uitvoering van de loonadministratie.
Schending
Volgens het bedrijf heeft de accountant informatie uit de aansprakelijkstelling gedeeld met een derde, namelijk een aandeelhouder van een andere vennootschap waarmee de BV in een civielrechtelijk geschil was verwikkeld. Daarmee zou de accountant hebben gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit, vertrouwelijkheid en professionaliteit, zoals vastgelegd in de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). De klacht richtte zich uitsluitend op dit vermeende lekken van vertrouwelijke informatie.
Volgordelijkheid
Ter onderbouwing van haar klacht wees het bedrijf op de volgorde van gebeurtenissen. Enkele dagen na de aansprakelijkstelling had de accountant contact gezocht met de betreffende derde om een online overleg te plannen. Kort daarna informeerde die derde bij het nieuwe accountantskantoor of het kinderdagverblijf inderdaad was overgestapt. Later dook die e-mailwisseling op in de civiele procedure tussen twee aandeelhouders van de BV.
Volgens de klaagster kon dit geen toeval zijn. De enige verklaring zou zijn dat de accountant de informatie uit de aansprakelijkstelling had gedeeld. Medewerkers van het bedrijf zouden op dat moment nog niet op de hoogte zijn geweest van het vertrek van het kinderdagverblijf, zodat de informatie niet via hen bij de derde terecht kon zijn gekomen.
Verweer van de accountant
De accountant heeft het verwijt gemotiveerd betwist. Hij erkende dat hij contact had gehad met de derde, maar stelde dat dit uitsluitend verband hield met zijn rol als relatiebeheerder. Het overleg ging volgens hem over de afronding van jaarrekeningen van een andere klant. De aansprakelijkstelling bevatte bovendien geen naam van de vertrokken klant, zodat hij daaruit niet kon afleiden om welk kinderdagverblijf het ging of naar welk kantoor het was overgestapt.
Daarnaast wees de accountant erop dat hij niet betrokken was bij de loonadministratie waarvoor de BV het accountantskantoor had ingeschakeld. Die werkzaamheden werden uitgevoerd door een andere medewerker. Hij had daarom, naar eigen zeggen, geen inhoudelijke kennis van welke klant precies was opgestapt. Ter ondersteuning van zijn verweer legde de accountant een schriftelijke verklaring over van de derde, waarin deze verklaarde dat hij niet via de accountant of diens kantoor had vernomen dat het kinderdagverblijf was vertrokken, maar via medewerkers van de BV.
Oordeel
De Accountantskamer stelt voorop dat het aan de klagende partij is om de verweten gedraging aannemelijk te maken. Dat vereist meer dan het formuleren van een vermoeden; er moeten concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd die tot een tuchtrechtelijk verwijt leiden.
Volgens de tuchtrechter ontbreekt schriftelijk bewijs dat de accountant informatie uit de aansprakelijkstelling heeft gedeeld. Ook uit de volgordelijkheid van de gebeurtenissen volgt niet zonder meer dat sprake is geweest van een lek. Het contact tussen de accountant en de derde had een plausibel, zakelijk doel dat losstond van de aansprakelijkstelling. Bovendien stond in die aansprakelijkstelling niet vermeld om welke klant het ging, zodat niet vaststaat dat de accountant überhaupt beschikte over de specifieke informatie waarvan hij wordt beschuldigd deze te hebben gedeeld.
De Accountantskamer hecht daarnaast betekenis aan de verklaring van de derde, die de lezing van de klaagster tegenspreekt. Dat de BV twijfels heeft bij de betrouwbaarheid van die verklaring, is volgens de tuchtrechter onvoldoende onderbouwd. Ook de stelling dat medewerkers van de BV pas later op de hoogte zouden zijn geraakt van het klantverlies, is niet met concrete gegevens gestaafd.
Geen tuchtrechtelijk verwijt
Alles afwegend komt de Accountantskamer tot het oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de accountant vertrouwelijke informatie heeft gedeeld. Daarmee is niet vastgesteld dat hij heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid of andere beroepsregels. De klacht wordt daarom in haar geheel ongegrond verklaard.
Lees hier de uitspraak.


Geef een reactie