De Nederlandse Belastingdienst is voorlopig niet van plan btw te heffen over de ‘gratis’ diensten van sociale mediaplatforms. Dat schrijft staatssecretaris van Financiën Eugène Heijnen in antwoord op Kamervragen van D66, GroenLinks-PvdA en CDA over een Italiaans experiment waarbij grote sociale mediabedrijven een btw-aanslag kregen opgelegd. Volgens Heijnen ontbreekt een eenduidige juridische grondslag en is bovendien onduidelijk hoe de waarde van persoonlijke data moet worden vastgesteld.
Italiaanse proef
Aanleiding voor de Kamervragen was een bericht in het Financieele Dagblad waarin werd gemeld dat Italië btw heeft nageheven bij onder meer Meta, LinkedIn en X. De Italiaanse fiscus stelt dat gebruikers met hun persoonlijke data feitelijk betalen voor toegang tot sociale media, waardoor sprake zou zijn van een belastbare prestatie. Op verzoek van Italië boog de Europese Commissie zich over de kwestie. In een eerste analyse suggereert de Commissie dat btw-heffing in bepaalde situaties ‘wellicht mogelijk’ is, bijvoorbeeld wanneer gebruikers minder functionaliteiten krijgen als zij het gebruik van hun data beperken. In zulke gevallen zou eenvoudiger een zogenoemd ‘rechtstreeks verband’ kunnen worden gelegd tussen dienst en tegenprestatie.
Richtsnoer 2018
Nederland houdt echter vast aan het bestaande Europese kader. In 2018 nam het Europese Btw-comité unaniem een richtsnoer aan waarin staat dat over ‘gratis’ digitale diensten geen btw kan worden geheven, omdat het rechtstreeks verband tussen dienst en data ontbreekt. Volgens Heijnen geldt dit richtsnoer nog altijd onverkort. De staatssecretaris erkent dat nieuwe bedrijfsmodellen van sociale mediabedrijven tot nieuwe vragen leiden, maar benadrukt dat elke afwijking van het richtsnoer zorgvuldig moet worden beoordeeld. “De btw-richtlijn bevat op dit moment geen werkbare bepalingen om de maatstaf van heffing te bepalen,” schrijft hij. Het vaststellen van de waarde van persoonlijke data is volgens zowel Nederland als de Europese Commissie uiterst complex.
Raming onmogelijk
Ook over de mogelijke opbrengsten tast het kabinet in het duister. Heijnen kan geen schatting geven van wat btw-heffing over sociale media zou kunnen opleveren, omdat Italië geen inzicht heeft gegeven in de gehanteerde berekeningsmethode. Bovendien ontbreekt Europese jurisprudentie of wetgeving die richting geeft aan de waardering van data als vergoeding. Daar komt bij dat btw-heffing op sociale media verstrekkende gevolgen kan hebben. Zo moet worden vastgesteld welke lidstaat heffingsbevoegd is en of gebruikers die structureel data ‘leveren’ daarmee ondernemer voor de btw worden. Ook mogelijke uitstralingseffecten naar andere sectoren, zoals loyaliteitsprogramma’s, moeten volgens Heijnen worden meegewogen.
Gevoelig punt
Het kabinet laat zich ook terughoudend uit over naheffingen met terugwerkende kracht, zoals Italië die oplegt. In Nederland geldt in beginsel een naheffingstermijn van vijf jaar, maar altijd met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zonder duidelijke Europese regels acht Heijnen terugwerkende btw-heffing juridisch en bestuurlijk riskant.
Eerst Europa, dan Nederland
De conclusie van het kabinet is helder: Nederland wacht verdere Europese besluitvorming af. Volgens Heijnen is het, gezien het grensoverschrijdende karakter van digitale diensten, essentieel dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering hanteren. Mogelijk is een aanpassing van de Europese btw-richtlijn nodig, maar daarover moet eerst overeenstemming worden bereikt.


Geef een reactie