De zaak draait om de verdeling van de nalatenschap van een moeder die samen met één van haar zoons een agrarische onderneming dreef in maatschapsverband. In 2012 trad de moeder uit de maatschap en werd vastgelegd dat de zoon het bedrijf zou voortzetten. De moeder deed afstand van haar rechten op het maatschapsvermogen, maar verkreeg daartegenover een aanspraak op uitbetaling van haar kapitaalrekening en haar eventuele aandeel in de meerwaarde. Tot een financiële afrekening kwam het niet, omdat de benodigde cijfers ontbraken. Twee jaar na het overlijden van de moeder in juni 2013 werd de zoon failliet verklaard.
De curator verzocht de rechtbank de verdeling van de nalatenschap van de moeder vast te stellen. Daarbij speelde onder meer de vraag of en tot welk bedrag de nalatenschap nog een vordering had op de failliete zoon uit hoofde van de beëindigde maatschap, en of die vordering al was verjaard. De andere zoons stelden juist dat de vordering van de nalatenschap aanzienlijk hoger was dan de curator aannam.
Flynth wil vooruitbetaling
In juli 2013, een maand nadat de moeder was overleden, vond op het kantoor van Flynth een bijeenkomst plaats met de erfgenamen, waarin de administratieve en fiscale situatie van de maatschap werd besproken. Uit het verslag blijkt dat over een periode van ongeveer tien jaar geen jaarrekeningen waren opgesteld en dat essentiële financiële gegevens ontbraken. Flynth gaf aan alleen tegen vooruitbetaling bereid te zijn de administratie alsnog te reconstrueren. De kosten daarvan werden op 50 duizend euro geraamd.
Van rechtbank naar hof
De rechtbank nam bij de verdeling van de nalatenschap een vordering van de nalatenschap op de zoon aan van € 400.000, mede gebaseerd op de beschikbare gegevens en de door Flynth gesignaleerde problematiek. Het gerechtshof Den Haag kwam in hoger beroep tot een andere benadering. Het hof oordeelde dat het maatschapsvermogen in 2012 feitelijk al was verdeeld en dat moeder bij haar overlijden geen aandeel meer had in dat vermogen. Voor zover al sprake was van een vordering, kon die volgens het hof alleen betrekking hebben op de kapitaalrekening. Die mogelijke vordering achtte het hof bovendien verjaard.
Kritiek Procureur-Generaal
In zijn conclusie van 30 januari 2026 zet Procureur-Generaal W.L. Valk daar vraagtekens bij. Hij benadrukt dat het hof de beëindigingsovereenkomst te beperkt heeft uitgelegd. In die overeenkomst wordt niet alleen gesproken over de kapitaalrekening, maar expliciet ook over het eventuele aandeel van de moeder in de meerwaarde van de onderneming. Dat onderdeel kan volgens de PG niet zonder nadere motivering buiten beschouwing blijven.
Ook het oordeel over de verjaring acht de PG onjuist. De zoon die de onderneming voortzette, is sinds 2015 failliet. In zo’n situatie wordt de verjaringstermijn op grond van de Faillissementswet verlengd. Volgens de PG had het hof deze verlenging ambtshalve moeten toepassen en kon het dus niet zonder meer aannemen dat een eventuele vordering in 2019 was verjaard.
Slechte administratie
De PG erkent dat het ontbreken van een deugdelijke administratie de vaststelling van de omvang van de vordering bemoeilijkt. Tegelijkertijd wijst hij erop dat dit niet betekent dat aanspraken uit hoofde van de beëindigingsovereenkomst zonder meer vervallen. Juist in een situatie waarin cijfers ontbreken, kan volgens de PG niet worden volstaan met het terzijde schuiven van expliciet overeengekomen rechten.
De Hoge Raad moet nog arrest wijzen.
Lees hier de conclusie van de PG.


Geef een reactie