Ook coalitiepartij VVD stemde voor deze aanpassing van de nieuwe vorm van box 3. De wet voor de nieuwe vermogensrendementsheffing is al aangenomen door de Tweede Kamer, maar moet nog wel door de Senaat.
Verliesverrekening
Bij een eerder debat over de wet had JA21 een aanpassingsvoorstel gedaan om voor deze zogenoemde carry-back te zorgen. Dat voorstel werd toen weggestemd, net als alle andere aanpassingen die Kamerleden voorstelden. Dit was onder meer omdat aanpassingen extra geld kosten en de wet snel klaar moest zijn, vond de toenmalige staatssecretaris van Financiën.
VVD-minister Eelco Heinen (Financiën) kondigde woensdag aan dat het kabinet toch nog wil gaan sleutelen aan de wet die het werkelijke rendement op vermogen moet gaan belasten vanaf 2028.
Motie
De motie van Eerdmans en Bikkers ‘dat het belasten van werkelijke rendementen in box 3 bij sterk fluctuerende inkomsten kan leiden tot onevenwichtige belastingdruk over de tijd’, en ‘dat stelselconsistentie en evenwichtige heffing over meerdere jaren gebaat zijn bij een vergelijkbare systematiek’. Daarom wordt het kabinet verzocht ‘in te zetten op achterwaartse verliesverrekening
van ten minste één jaar in het nieuwe box 3-stelsel en daarbij zo nodig aanvullende dekkingsopties in het brede vermogensdomein aan de Kamer voor te leggen, en de Kamer uiterlijk bij voorjaarsnota een
voorstel voor te leggen,’ De motie is hier te vinden.
Kritiek Kamer
Oppositiepartijen JA21, ChristenUnie en BBB leverden wel kritiek op de draai van het kabinet om alsnog het wetsvoorstel aan te passen. De fractievoorzitters van die partijen deden hun beklag bij VVD-fractievoorzitter Ruben Brekelmans die de keuze van het kabinet verdedigde.
Verschillende partijen hebben tijdens het debat over de wet aanpassingen voorgesteld, maar die werden door het toenmalige demissionaire kabinet afgewezen. De wet zou namelijk snel klaar moeten zijn en aanpassingen mochten ook geen extra belastinggeld kosten.
Mirjam Bikker (CU) wil weten hoe de VVD de eventuele aanpassing wil betalen, Brekelmans had daar vooralsnog geen antwoord op. “We gaan nu de wet tegen het licht houden, er is nog geen concreet voorstel.”
JA21, ChristenUnie en BBB stemden tegen het wetsvoorstel. Partijen die voor stemden deden dat vooral omdat er niet echt alternatieven waren. JA21-voorman Joost Eerdmans hekelt dat “veel ophef” nodig was voordat het kabinet de wet wil herzien. Henk Vermeer (BBB) noemt de gang van zaken “schandalig”. Hij zegt: “we hebben hier meer dan anderhalf jaar over gedebatteerd. Alle argumenten zijn al voorbijgekomen!” Brekelmans herhaalt dat “de zorgen die door u en anderen zijn geuit” nu alsnog bekeken worden.
(ANP/AV)


In de Wet werkelijk rendement Box 3 is zeker een achterwaartse verliesrekening nodig aangezien dat een omissie is in die wet.
Een veel groter probleem is echter dat er niet wordt gecorrigeerd voor inflatie.
Proberen de opbrengsten gelijk te houden staat in de weg van rechtvaardigheid.
De veel te hoge Box 3 belasting in het verleden heeft in feite de staatsschuld met tientallen miljarden verlaagd.
Uit simulaties op basis van historische data blijkt dat het belasten volgens de voorliggende “Wet werkelijk rendement box 3″ er toe leidt dat beleggers in aandelen en obligaties gemiddeld koopkracht verliezen ten opzichte van hun inleg.
Dat komt met name omdat deze wet is gebaseerd op het nominale werkelijke rendement en dus geen rekening houdt met inflatie. In de Memorie van Toelichting wordt onderkend dat het belasten van het reële werkelijke rendement het beste aansluit bij het draagkrachtbeginsel. Echter om met name budgettaire redenen is daar niet voor gekozen.
Er zijn analyses en testen gedaan die simuleren alsof een bepaalde wet of voorstel van toepassing was voor een bepaalde voorgaande meerjarige periode.
De simulaties zijn gedaan op basis van beleggen in 70% Aandelen en 30% Obligaties.
Deze zijn op basis van de referenties en weging in de wet zoals die vanaf 2017 tot op heden van toepassing zijn.
Voor Aandelen is dat de MSCI Europe Gross met herbeleggen van dividend en zonder kosten en voor Obligaties zijn dat de rentes van de jongste 10 jarige staatsobligaties. Voor kosten wordt geteld met 1% per jaar.
Het betreft de periode van 24 jaar Box 3 vanaf eind 2000 (dus vanaf het moment dat Box 3 bestaat) en de periode van 8 jaar Box 3 vanaf eind 2016 (dus vanaf de invoering van de verschillende forfaitaire rendementen).
Als eindresultaat wordt gebruik gemaakt van het “Resulterend belastingpercentage” voor de gehele periode.
Bij een Resulterend belastingpercentage van 100% is de koopkracht op het eind van de periode gelijk aan die op het moment van de inleg. Boven 100% is er sprake van verlies aan koopkracht ten opzichte van het moment van inleg.
Daarmee zijn de gevolgen voor met name de betalers van de belastingen op beleggingen eenduidig te vergelijken.
Voor 24 jaar Box 3 vanaf eind 2000 is gevonden:
Op basis van de bestaande wet (zonder tegenbewijs) is dat 218%.
Bij de Wet werkelijk rendement Box 3 met het nominale werkelijke rendement en een belastingtarief van 36% is dat 161%.
Voor het reële werkelijke rendement en een belastingtarief van 36% is dat 51%.
Voor het reële werkelijke rendement en een belastingtarief van 25% is dat 36%.
Voor een vaste belastingheffing van 0,20% is dat 36%.
Voor 8 jaar Box 3 vanaf eind 2016 is gevonden:
Op basis van de bestaande wet (zonder tegenbewijs) is dat 127%.
Voor het Hoge Raad werkelijke rendement (met tegenbewijs en zonder aftrek van kosten en zonder inflatiecorrectie) en een belastingtarief van 36% is dat 88%.
Bij de Wet werkelijk rendement Box 3 met het nominale werkelijke rendement en een belastingtarief van 36% is dat 122%.
Voor het reële werkelijke rendement en een belastingtarief van 36% is dat 41%.
Voor het reële werkelijke rendement en een belastingtarief van 31,5% is dat 36%.
Voor een vaste belastingheffing van 0,48% is dat 36%.
De bestaande wet (zonder tegenbewijs) heeft dus voor beleggers in aandelen en obligaties gemiddeld een flink koopkracht verlies ten opzichte van hun inleg veroorzaakt ondanks de lange periodes van 24 en 8 jaar.
Als de wet tegenbewijs zou hebben gegolden vanaf eind 2016 dan zou het “Resulterend belastingpercentage” voor de periode van 8 jaar gemiddeld uitkomen op maar liefst 88%.
Dat geeft een indicatie voor dit jaar en de komende jaren dat er nog geen andere wet van kracht is.
Het belasten volgens de voorliggende “Wet werkelijk rendement box 3″ veroorzaakt voor beleggers in aandelen en obligaties gemiddeld dus ook het verlies van koopkracht ten opzichte van hun inleg.
Het is daarbij ook relevant om te kijken naar de complexiteit en het aantal jaren dat er geen belasting wordt geheven.
Bij de voorliggende wet wordt er van de 24 jaren in slechts 11 jaren belasting geheven en dus 13 jaren niet en van de 8 jaren in slechts 5 jaren en dus in 3 jaren niet. In de jaren met belastingheffing wordt er relatief veel belasting geheven.
Verder was er tot de motie geen terugwaartse verliesrekening mogelijk hetgeen er toe kon leiden dat belasting moet worden betaald voor een voorgaand positief jaar terwijl er sprake is van verlies in het lopende jaar.
Een Belastingwet moet in de eerste plaats rechtvaardig zijn en dat ook als een aanpassing, om daaraan te gaan voldoen, minder budget oplevert binnen hetzelfde onderdeel van de wet.
De 4 versies met een Resulterend belastingpercentage van 36% zijn wel rechtvaardig te noemen.
De 2 versies daarvan met het reële werkelijke rendement zijn echter ook complex in de praktijk en het aantal jaren dat belasting wordt geheven is voor 24 jaar Box 3 slechts 8 jaren en voor 8 jaar Box 3 slechts 3 jaren.
Waar het nu veel over gaat is de vermogenswinstbelasting.
Deze is echter ook zeer complex, zal tot uitstelgedrag leiden en het zal meer dan 10 jaar ingroeitijd vragen.
In het advies van de Raad van State van maandag 2 december 2024 wordt geadviseerd om de budgettaire neutraliteit als uitgangspunt los te laten waardoor ruimte ontstaat om tot box 3-alternatieven te komen (blad 19).
Verder wordt aangegeven dat binnen de eisen van artikel 14 EVRM en 1 EP EVRM en de door de Hoge Raad daarover gewezen arresten een forfaitair stelsel gebaseerd op laagrisico rendementen kan worden overwogen (blad18).
De reële rendementen vóór belasting zijn vaak veel lager dan verondersteld.
Ook moet het niet steeds ingewikkelder worden maar juist eenvoudiger.
Op grond daarvan kan worden gedacht aan een vaste belastingheffing op basis van de 1 januari vermogens.
De bepaling kan op basis van de gevonden waarden in de testen met een Resulterend belastingpercentage van 36% voor aandelen en obligaties en dergelijke. Daaruit volgt 0,20% voor 24 jaar Box 3 en 0,48% voor 8 jaar Box 3.
Er kan op grond daarvan worden gekozen voor een belastingheffing voor beleggen van 0,40%.
Aangezien sparen al jaren op een negatief reëel rendement uitkomt kan daarvoor een belastingheffing van 0% worden aangehouden. Dus 2 percentages voor belastheffingen op basis van de 1 januari vermogens.
Een jaarlijks bij te stellen mogelijkheid is om terug te gaan naar de oorsprong van Box 3 met één forfaitair rendement voor alle Box 3 posten. Dat is op basis van de reële rendementen van de jongste tienjarige Nederlandse staatsobligaties minus 1% kosten. Dat kan bijvoorbeeld ook elk belastingjaar gemiddeld worden over de voorgaande 10 jaar.
Er is dan in feite gemiddeld budget neutraliteit met een deel van de staatsschuld. Als de rente op de staatsschuld stijgt, stijgen ook de inkomsten uit Box 3 en omgekeerd. Dat geldt ook reëel. Het is ook niet redelijk dat de staat een hoger reëel forfaitair rendement kiest voor haar burgers dan dat zijzelf uitkeert op staatsobligaties.
Belasten met één forfaitair rendement voor beleggen sluit ook aan op de plannen van de Europese Unie om investeringen door particulieren aan te moedigen en het door haar genoemde voorbeeld van de Zweedse “Investment Savings Account” (ISK). Het geeft de belastingbetaler voorspelbaarheid en rust. Dat geldt ook voor de belastingontvanger.
Zolang een betere wet er niet is, geldt dus de bestaande situatie met tegenbewijs die in feite al gemiddeld veel te zwaar belast voor beleggen in aandelen en obligaties, laat staan dat deze eerdere verliezen door overmatige belastingheffing compenseert.
Het argument dat de voorliggende Wet werkelijk rendement Box 3 nodig is omdat er anders budget verlies optreedt is niet verdedigbaar op grond van rechtvaardigheid en het is ook de vraag of de genoemde bedragen werkelijk zo hoog zijn.
Gaan Eelco Heinen en Eelco Eerenberg gezien de genoemde bevindingen nu een echt rechtvaardigere en eenvoudigere wet maken?
Nee.
Die hele wet moet van tafel. Belasten op papieren (ongerealiseerde) inkomsten is gewoon diefstal.
Beste Irene, daar ken ik er nog een van, belasting betalen over nooit behaalde rente percentage over het spaargeld dat ze al tientallen jaren wisten en ze zijn er gewoon mee doorgegaan. Vraag blijft nog steeds of ik ooit mijn ten onrecht afgepakte SPAARGELD terugkrijg???
En dit alles vergeleken met de onbelaste aangroei van pensioenvermogen want veel van de box 3 vermogens zijn pensioenvermogen voor box 1ondernemers die de flexibiliteit nodig hebben om te ondernemen
Dat raad van state de belastingteruggave met terugwerkende kracht van box 3 heffing over spaargeld -bij 0 % rente of lager-niet acceptabel vond voor mensen die geen bezwaar gemaakt hadden is een schande, politieke invloed op recht vinden we in Amerika ook niet goed bij de FED
Heel dat belasten van fictieve winst/rendement gaat zowel in Eerste Kamer als bij Hoge Raad sneuvelen. Hoe kun je een feitelijk niet geïnde winst belasten?
Gaat in de grondwet genoeg over gevonden worden en na 1 x procederen de prullenbak in.
Heel de wereld lacht dit kabinet en de rechts-christelijke kruideniers uit!
Ga het geld eens halen daar waar het zit: de grootste profiteurs die amper bijdragen door alle ontwijk mogelijkheden die ze zelf tot wet hebben gelobbyd.