Een AA verzorgt sinds boekjaar 2017 de jaarrekening en de administratie van een tuinbouwbedrijf. In 2018 zit hij met de dga om de tafel, want die wil drie van zijn zoons vanaf 1 januari 2019 laten participeren in de meer- en minderwaarden van de tuinbouwbedrijven. De AA presenteert een stappenplan, dat onder meer bestaat uit het oprichten van een tussenholding. Er wordt een wijze van aandelenwaardering afgesproken, waarbij de AA aangeeft dat de Belastingdienst zich op het standpunt kan stellen dat sprake is van goodwill. Over de belastingclaim wordt genoteerd: “Toegelicht dat er een belastingclaim rust op de onderneming daar er een verschil is tussen de fiscale boekwaarde van de opstallen en de taxatie ervan. In het cijfervoorbeeld is deze op 20% gezet. Gezien de toekomstige daling van de tarieven van de VpB zou het percentage lager kunnen worden vastgesteld.”
Aandelen verkocht
Begin 2019 wordt de herstructurering geactualiseerd vanwege een grondtaxatie die hoger is uitgepakt dan voorzien. Per saldo stijgt daardoor de waarde van de aandelen met € 215.200. De AA bepaalt de overdrachtsprijs op circa € 11.585.000, maar: dat is een globale indicatie, voegt hij toe omdat de cijfers over 2018 nog niet bekend zijn. Eind 2019 wordt de tussenholding opgericht en de aandelen in twee dochter-BV’s worden door de holding verkocht voor een gezamenlijke koopprijs van € 11.375.545 aan de tussenholding.
In 2020 verkoopt de holding 75% van de aandelen in de tussenholding aan de persoonlijke holdings van de drie zonen. Hierbij is uitgegaan van dezelfde waardering van de onderneming als die bij de overdracht in 2019.
Latente belastingclaim te hoog
In 2023 wil de dga ook de rest van de aandelen in de tussenholding van de hand doen. De AA is dan al met pensioen en diens opvolger laat weten dat in de berekening in 2019 van de waarde van de aandelen een fout is gemaakt bij de latente belastingclaim: “De fout betreft niet het toepassen van een verkeerde percentage maar de methodiek hoe deze is berekend.” De latentie is te hoog berekend, met als gevolg een lagere koopsom. Die had zo’n vier ton hoger moeten zijn.
‘Vriendelijke prijs’
De tuinbouwer vindt dat een tuchtklacht waard en betoogt voor de Accountantskamer dat de AA een te hoge latente belastingverplichting in mindering heeft gebracht, de zoons ten onrechte geen eigen deskundige heeft bezorgd en de opdracht niet schriftelijk heeft bevestigd. Die laatste klacht komt te laat, zo veegt de tuchtrechter die alvast van tafel.
De gepensioneerde AA stelt dat van belang was dat de aandelen door de zoons konden worden overgenomen tegen een vriendelijke en eenvoudig te financieren prijs die door de Belastingdienst zou worden geaccepteerd. Hij had niet de opdracht om een waardering te maken van de aandelen, bijvoorbeeld conform de discounted cashflow-methode. Maar hij erkent wel dat hij bij het berekenen van de belastinglatentie ten onrechte is uitgegaan van de fiscale boekwaarde en niet van de in de jaarrekening opgenomen commerciële waarde. Voor het verschil tussen de commerciële waarde en de fiscale boekwaarde was immers al een latentie in de jaarrekening opgenomen. Maar de berekening was volgens de AA in het vervolg van de bedrijfsoverdracht verder niet relevant.
Geen tegengestelde belangen
De Accountantskamer gaat niet over de vraag of de koopsom die vader heeft ontvangen van de tussenholding juist was, zo oordeelt de tuchtrechter. “De prijs – en daarmee de te betalen koopsom – is immers de uitkomst van een traject tussen partijen over de verkoop van de aandelen.” Maar de AA heeft partijen wel voorzien van input en erkent de incorrecte berekening. Daarom is het klachtonderdeel gegrond.
Moest de AA ervoor zorgen dat de zoons een eigen deskundige hadden omdat zij een tegengesteld belang hadden bij de aandelenoverdracht? Nee, vindt de Accountantskamer. “Het klachtonderdeel neemt tot uitgangspunt dat telkens als een accountant betrokken is bij een traject waarbij aandelen in (bijvoorbeeld) familieverband worden verkocht, de accountant één van de partijen moet aanraden een eigen adviseur in de arm te nemen. Dit uitgangspunt is in zijn algemeenheid onjuist.” Het ging vader en zoons namelijk niet om een zo hoog of zo laag mogelijke prijs voor de aandelen en ook op andere onderdelen waren belangen niet zodanig tegengesteld dat de AA niet langer de partijen kon adviseren zonder dat zijn objectiviteit in gedrang kwam. “Klaagster heeft zelf gesteld dat de waarderingsmethode – en daarmee de prijsbepaling – tussen partijen geen punt van discussie was: bepalend was de intrinsieke waarde van de aandelen na hertaxatie van het onroerend goed én fiscaal geaccepteerd. […] Een economische benadering van de prijs welke benadering in het zakelijk verkeer gebruikelijk is, was bij de herstructurering tussen partijen dus niet aan de orde.” Daarom kon de AA aannemen dat er geen sprake was van tegenstrijdige belangen en dat een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde het daarom niet nodig zou vinden de zoons naar een eigen adviseur te verwijzen.
De voormalig AA krijgt een waarschuwing opgelegd omdat hij een fout heeft gemaakt in zijn opstelling van de elementen die partijen hebben betrokken in de prijsvorming. “Met de waarschuwing brengt de Accountantskamer tot uitdrukking dat sprake is van een fout in het professioneel handelen, die in het vervolg voorkomen moet worden, ook al is betrokkene al uitgeschreven als accountant.”


“Een economische benadering van de prijs welke benadering in het zakelijk
verkeer gebruikelijk is, was bij de herstructurering tussen partijen dus niet aan de orde.”
Wijkt de fiscaal rechtelijke waardering dan af van de economische? Ik krijg niet die indruk noch dat het getoetst is? Vreemde zin in dit vonnis zo op het eerste oog? Ik had hem weggelaten?
Neem aan dat de werkelijke waarde in de waarde bepaling per definitie fiscaal geaccepteerd zal zijn en die zin defacto geen impact behoort te hebben, dat een prijsbepaling bij het tot stand komen van meer informatie over fiscale claims wordt aangepast aan die informatie is prima zakelijk te verantwoorden?
Anyhow, dit lezende levert mij wat vragen op.