De zaak draait om een werkneemster die stelt al sinds 1976 in dienst te zijn geweest bij de snoepwinkelketen. In 2023 raakt zij langdurig arbeidsongeschikt. Na afloop van de wettelijke periode van loondoorbetaling van 104 weken wordt haar dienstverband beëindigd en ontvangt zij een WIA-uitkering. In de periode tussen het einde van de loondoorbetaling en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst was sprake van een zogenoemd slapend dienstverband.
Centraal staat de vraag of in die tussenliggende periode nog aanspraak ontstaat op vakantiedagen. De werkneemster stelt dat dit het geval is en verzoekt de kantonrechter haar voormalige werkgever te veroordelen tot uitbetaling van de volgens haar opgebouwde dagen. De werkgever betwist dat en voert aan dat de opbouw van vakantiedagen eindigt zodra de loondoorbetaling stopt.
In deze specifieke zaak gaat het om een relatief korte periode: ongeveer één maand tussen het moment waarop de werkneemster een WIA-uitkering ontvangt en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Juist over die periode stelt zij nog vakantiedagen te hebben opgebouwd.
Juridische onduidelijkheid
De kantonrechter signaleert dat de rechtsvraag breder speelt. Sinds juni 2024 zijn in vergelijkbare zaken meerdere uitspraken gedaan, die niet steeds dezelfde lijn volgen. Ook in de juridische literatuur bestaat verdeeldheid over de vraag of het recht op vakantieopbouw doorloopt na het einde van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte.
Tegen die achtergrond acht de kantonrechter het aangewezen om de kwestie voor te leggen aan de Hoge Raad via een prejudiciële vraag. Een antwoord van het hoogste rechtscollege is volgens de rechtbank nodig om in deze zaak te kunnen beslissen en zal daarnaast richtinggevend zijn voor een groter aantal te verwachten procedures over hetzelfde onderwerp.
Partijen hebben tot 16 maart 2026 de gelegenheid gekregen om te reageren op het voornemen van de kantonrechter om de prejudiciële vraag te stellen. Een definitieve beslissing over de voorlegging volgt daarna.


Geef een reactie