De casus gaat over een productie- en verwerkingscoöperatie. De aangesloten leden leveren grondstoffen aan, waarna de coöperatie deze verwerkt tot producten. De leden hebben statutair zowel een leveringsrecht als een leveringsplicht tegenover de coöperatie.
Een lid kan zijn lidmaatschapsrechten overdragen aan een derde, na voorafgaande goedkeuring van het bestuur. Ook kan het lid de lidmaatschapsrechten aan de coöperatie zelf overdragen. In dat geval vervalt de aanspraak op het inleggeld dat bij aanvang van het lidmaatschap is betaald. Daarnaast moet het lid uittreedgeld betalen, in verband met het vervallen van zijn leveringsverplichting.
Negatieve waarde
Zowel het inleggeld als het uittreedgeld bestaat uit een vast bedrag per lidmaatschapsrecht. Die bedragen zijn volgens de casus al enkele decennia niet geïndexeerd. Door de leveringsplicht en ongunstige marktprijzen hebben de lidmaatschapsrechten een negatieve waarde in het economisch verkeer.
De vraag aan de kennisgroep was of het uittreedgeld dat de coöperatie ontvangt voor de vennootschapsbelasting kan worden aangemerkt als een kapitaalstorting. Het antwoord daarop is nee. Volgens het standpunt behoren de ontvangen uittreedgelden tot de belastbare winst van de coöperatie.
Betaling als leverancier
Voor de fiscale winstbepaling moet volgens de kennisgroep worden gekeken naar de hoedanigheid waarin het lid betaalt. Gaat het om een betaling als lid, dus in de kapitaalsfeer, of om een betaling als leverancier of afnemer, dus in de ondernemingssfeer?
In deze casus hangt het uittreedgeld samen met het vervallen van de leveringsverplichting. Daarmee is de betaling volgens de kennisgroep gedaan in de hoedanigheid van leverancier. Dat leden bij toetreding al bekend waren met de verplichting om bij uittreding mogelijk uittreedgeld te betalen, maakt dat niet anders.
Ook de opbouw van de statuten en het feit dat het bedrag nooit is geïndexeerd, leiden volgens de Belastingdienst niet tot een andere uitkomst. De daadwerkelijke betaling staat volgens de kennisgroep te ver af van de oorspronkelijke toetreding als lid om nog als kapitaalstorting te kunnen worden behandeld.
Ondernemingssfeer
De conclusie is dat het uittreedgeld geen kapitaalstorting vormt, maar onderdeel is van de fiscale winst. Voor coöperaties met leveringsverplichtingen is het standpunt daarmee vooral relevant bij de fiscale beoordeling van betalingen rond uittredende leden.
Niet doorslaggevend is dat de verplichting in de statuten is opgenomen. Voor de fiscale kwalificatie kijkt de kennisgroep vooral naar de hoedanigheid waarin het lid betaalt. Als de betaling samenhangt met de zakelijke verhouding tussen coöperatie en lid, kan die volgens dit standpunt in de ondernemingssfeer vallen.


Geef een reactie