Zaaknr: 25/2663 Wtra AK
De klacht was ingediend door een voormalig bestuurder van enkele vennootschappen binnen een verzekeringsgroep en zijn vennootschap. Hij verrichtte sinds 2008 werkzaamheden voor de groep, eerst op basis van een overeenkomst van opdracht en later ook in loondienst. In 2018 werd ten aanzien van vennootschappen binnen de groep de noodregeling uitgesproken. De Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten nam toen het bestuur over.
In juni 2020 zegde CBCS namens de groep de relatie met de bestuurder en zijn vennootschap op. Daarna ontstond een geschil over de financiële afwikkeling. Partijen verschilden onder meer van mening over de ingangsdatum van de overeenkomst van opdracht, de hoogte van de managementfee en overige remuneraties. Het geschil leidde tot een kort geding en daarna tot een bodemprocedure bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
Financiële opstelling
De registeraccountant maakte op verzoek van een vennootschap binnen de groep een financiële opstelling van bedragen die in de periode van 1 januari 2017 tot 4 augustus 2020 aan klagers waren betaald, met verrekening van eventuele vorderingen op hen.
In de opdrachtbevestiging stond dat de werkzaamheden wezenlijk verschilden van een controle op basis van algemeen aanvaarde grondslagen voor accountantscontrole. Ook omvatten de werkzaamheden geen beoordeling van financiële informatie. De accountant zou daarom geen opinie afgeven over de financiële informatie die in haar analyse werd betrokken.
De rapportage werd door de groep als productie ingebracht in de civiele procedure. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao nam het rapport in een tussenvonnis tot uitgangspunt voor de afrekening tussen partijen. Klagers kregen de gelegenheid om zich, al dan niet met een deskundige, inhoudelijk over de eindberekening uit te laten. Zij zagen daarvan af. In augustus 2025 wees het Gerecht hun vorderingen mede op basis van het rapport af. Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld.
Klacht bij Accountantskamer
Volgens klagers had de accountant toegestaan dat haar rapportage in het juridische geschil werd gebruikt en openbaar werd gemaakt. Ook zou zij geen actie hebben ondernomen nadat zij erop was gewezen dat het rapport volgens klagers werd gebruikt als accountantsrapport met goedkeurend oordeel.
Daarnaast vonden klagers dat het rapport geen deugdelijke grondslag had. De accountant zou de juistheid, volledigheid en betrouwbaarheid van de aangeleverde gegevens niet hebben vastgesteld. Ook zou zij geen hoor en wederhoor hebben toegepast. Daarbij verwezen klagers naar de VGBA, NBA-Handreikingen 1112 en 1127 en NV COS 4400.
Overige opdracht
De Accountantskamer stelt voorop dat de accountant, omdat zij in het NBA-register staat ingeschreven, ook bij werkzaamheden buiten Nederland is gebonden aan de Wet op het accountantsberoep en de daarop gebaseerde regelgeving, waaronder de VGBA.
Volgens de Accountantskamer trad de accountant hier op als partijdeskundige. Zij had op verzoek van de groep een rapport opgesteld over de eindafrekening tussen de groep en klagers. Dat was volgens de Accountantskamer een overige opdracht. Daarop zijn geen Nadere voorschriften controle- en overige standaarden van toepassing.
Wel heeft de Accountantskamer acht geslagen op NBA-Handreiking 1127, over opdrachten ter ondersteuning bij potentiële of bestaande geschillen. Een NBA-handreiking bevat geen dwingende bepalingen, maar van een accountant wordt verwacht dat hij kennisneemt van de aanwijzingen en deze, voor zover relevant, overweegt.
Geen goedkeurend oordeel
De Accountantskamer volgt klagers niet in hun stelling dat sprake was van een accountantsrapport met goedkeurend oordeel. De opdracht strekte ertoe bedragen te vergelijken en verschillen op te sommen. In de opdrachtbevestiging stond onder meer dat het ging om het identificeren van mogelijke rekenkundige onjuistheden, het vergelijken van berekeningen van beide partijen en het analyseren van betalingen in relatie tot gemaakte afspraken.
Verder was in de opdrachtbevestiging benadrukt dat het rapport geen beoordeling van financiële informatie inhield. Het verwijt dat sprake was van een accountantsrapport met goedkeurend oordeel mist volgens de Accountantskamer daarom feitelijke grondslag.
Geen concrete fouten aangewezen
De Accountantskamer merkt het rapport aan als een rapport van een partijdeskundige. De accountant had het rapport opgesteld in opdracht van een vennootschap binnen de groep, ter onderbouwing van de standpunten van die groep in de procedure op Curaçao. In de opdrachtbevestiging was ook toestemming gegeven om het rapport in de juridische procedure te gebruiken.
Dat betekent niet dat een accountant daarna niets meer hoeft te doen. De Accountantskamer overweegt dat een accountant actie moet ondernemen als aan een rapport een gebrek kleeft en de accountant daarop wordt gewezen. Zo moet worden voorkomen dat derden, zoals een rechter, het rapport verkeerd interpreteren of gebruiken.
In dit geval bleek uit de correspondentie volgens de Accountantskamer niet dat de accountant was gewezen op fouten of ondeugdelijkheden in het rapport. Ook in het klaagschrift en op de zitting hebben klagers onvoldoende toegelicht welke fouten het rapport zou bevatten. Daarom was er voor de accountant geen aanleiding om actie te ondernemen om gebruik van het rapport in de procedure te voorkomen.
Hoor en wederhoor
Ook het verwijt over hoor en wederhoor slaagt niet. Volgens de Accountantskamer was geen sprake van een persoonsgericht onderzoek of van een onderzoek met kenmerken daarvan. Het handelen of nalaten van klagers stond niet centraal. NBA-Handreiking 1112 was daarom niet van toepassing.
Uit NBA-Handreiking 1127 volgt volgens de Accountantskamer niet dat een accountant bij rapporten als deze altijd hoor en wederhoor moet toepassen. De accountant had aangevoerd dat zij de standpunten van beide partijen had vergeleken en gebruik had gemaakt van processtukken die door beide partijen bij het Gerecht waren ingediend. Zij was daardoor bekend met de standpunten van beide kanten.
Klagers hebben volgens de Accountantskamer onvoldoende onderbouwd waarom hoor en wederhoor in dit geval nodig was voor een deugdelijke grondslag. Ook hebben zij niet weersproken dat de accountant, na overleg met de Professional Practice Department van haar kantoor, had geconcludeerd dat hoor en wederhoor onder deze omstandigheden niet noodzakelijk was.
Klacht ongegrond
De Accountantskamer verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond. Het rapport was geen accountantsrapport met goedkeurend oordeel, maar een rapport van een partijdeskundige bij een overige opdracht. Klagers hebben volgens de Accountantskamer onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het rapport geen deugdelijke grondslag had of dat de accountant had moeten voorkomen dat het rapport in de procedure werd gebruikt.


Geef een reactie