Het gerechtshof Den Haag spreekt de ondernemer in hoger beroep vrij van gewoontewitwassen van ruim 1,5 miljoen euro aan contante geldstromen en een bedrijfspand in Berkel en Rodenrijs. Het hof oordeelt dat het Openbaar Ministerie weliswaar een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen heeft aangetoond, maar de door de verdachte gegeven verklaring over de herkomst van het geld onvoldoende heeft onderzocht en uiteindelijk niet heeft kunnen weerleggen. Daardoor is niet wettig en overtuigend bewezen dat de gelden afkomstig waren uit enig misdrijf.
De rechtbank Rotterdam had de verdachte eerder nog veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden. In hoger beroep eiste de advocaat-generaal een celstraf van veertig maanden, maar het hof vernietigt het vonnis en spreekt de verdachte alsnog volledig vrij van de witwasverwijten.
Vermoeden van witwassen
Het hof stelt vast dat het onderzoek geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de geldbedragen afkomstig waren uit een concreet misdrijf. Daarom beoordeelt het hof eerst of sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Daarbij verwijst het naar het juridisch kader van artikel 420bis Sr: voor een veroordeling hoeft het bronmisdrijf niet nauwkeurig te worden vastgesteld, maar moet uiteindelijk wel kunnen worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Daarvoor moet eerst een ernstig vermoeden van witwassen bestaan.
Dat vermoeden acht het hof aanwezig. De verdachte kwam in de periode 2007 tot en met 2014 voor in 28 meldingen van de Financial Intelligence Unit (FIU) met een gezamenlijke transactiewaarde van ruim 1,64 miljoen euro. De meldingen hadden onder meer betrekking op contante stortingen op bankrekeningen in Nederland, Brazilië, Suriname en Thailand. Ook werd de aankoop van een bedrijfspand volgens een notarismelding gefinancierd via contante stortingen op verschillende bankrekeningen.
Verklaring over contante reserves
Volgens de verdachte ondernemer waren de contante bedragen afkomstig uit legale bedrijfsinkomsten die hij in eerdere jaren van de bankrekeningen van zijn ondernemingen had opgenomen en vervolgens in kluizen had bewaard, omdat hij geen vertrouwen had in banken. Hij stelde vanaf ongeveer 1998 op die manier legaal vermogen te hebben opgebouwd.
Het hof kwalificeert die verklaring als voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Daarbij wijst het op meerdere fiscale en administratieve stukken die de verklaring ondersteunen. Zo beschikte de verdachte volgens zijn aangifte inkomstenbelasting over 2007 over bank- en spaartegoeden van ruim 677.000 euro. Zijn aanslag inkomstenbelasting over 2008 vermeldde een verzamelinkomen van ruim 608.000 euro. Daarnaast blijkt uit het jaarverslag over 2008 dat in 2007 en 2008 aanzienlijke privéonttrekkingen uit de onderneming hadden plaatsgevonden. In de aangifte over 2009 werd bovendien ruim 1,8 miljoen euro aan contant geld en vorderingen opgegeven. Opvallend is volgens het hof dat deze aangiften door de Belastingdienst definitief zijn vastgesteld zonder correcties op deze posten.
Ook hecht het hof waarde aan de verklaring van de accountant van de verdachte. Die verklaarde bij de raadsheer-commissaris dat hij samen met de verdachte een kastelling bij de bank had uitgevoerd en had gezien dat de verdachte grote hoeveelheden contant geld in een kluis bewaarde. Volgens het hof volgt daaruit dat de verdachte daadwerkelijk over aanzienlijke contante vermogens beschikte.
Onderzoek OM schoot tekort
Juist omdat de verklaring van de verdachte verifieerbaar is, had het volgens het hof op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om die nader te onderzoeken. Dat is volgens het arrest grotendeels uitgebleven.
Het hof wijst erop dat de tenlastegelegde periode begint in januari 2007, terwijl de financiële situatie van de verdachte in de jaren daarvoor essentieel was voor de beoordeling van zijn verklaring. Toch bevatte het dossier nauwelijks informatie over die periode. Wel was oudere administratie in beslag genomen, maar daarvan is geen weerslag in het dossier terechtgekomen omdat de stukken later aan de verdachte waren teruggegeven.
Pas na een regiezitting in 2026 werden belastingaangiften over de periode 2000 tot en met 2007 opgevraagd. Die bleken toen niet meer beschikbaar. Daardoor kon het verlangde onderzoek feitelijk niet meer worden uitgevoerd. Het hof benadrukt dat dit niet wordt weggenomen door het feit dat de verdachte zijn verklaring pas bij de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft afgelegd. Nu het nadere onderzoek zo laat is verricht dat adequate uitvoering onmogelijk is geworden, is de verklaring over de legale herkomst van de gelden niet ontkracht. Daarmee ontbreekt het bewijs dat de contante bedragen uit misdrijf afkomstig waren.
Geen niet-ontvankelijkheid van het OM
De verdediging voerde daarnaast aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat bij aanvang van het onderzoek onvoldoende gegevens zijn veiliggesteld. Door het tijdsverloop zijn belangrijke administratieve stukken volgens de verdediging verloren gegaan, waardoor een adequate verdediging onmogelijk zou zijn geworden.
Het hof verwerpt dat verweer. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 6 EVRM overweegt het dat niet-ontvankelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, namelijk wanneer de schending van de verdedigingsrechten zo ernstig is dat van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn. Van zo’n uitzonderlijk geval is hier volgens het hof geen sprake.
Daarbij speelt mee dat uit het dossier blijkt dat wel degelijk oudere stukken in beslag zijn genomen en later aan de verdachte zijn teruggegeven. Volgens het hof had het op de weg van de verdachte gelegen deze administratie te bewaren, juist omdat hij wist dat een strafprocedure wegens witwassen liep. Dat de stukken later niet meer beschikbaar waren, maakt daarom niet dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Ook het verwijt dat de verdachte de uiteindelijk belanghebbende van een bedrijfspand in Berkel en Rodenrijs zou hebben verhuld, houdt geen stand. Het hof acht niet met voldoende zekerheid bewezen dat hij rechthebbende was van de betrokken vennootschap. Daarbij betrekt het onder meer een eerdere hofuitspraak, een getuigenverklaring en stukken waaruit volgens het hof volgt dat de uiteindelijke begunstigde de houder van een aandeel aan toonder was. Ook van dat onderdeel van de tenlastelegging volgt daarom vrijspraak.


Geef een reactie