Een Brit en een Nederlander delen een liefde voor exclusieve auto’s. Ze hebben ook als gezamenlijke liefhebberij hun (zakelijke) financiën fiscaal zo gunstig mogelijk in te kleden. Ze smeden in 2018 een plan om die twee hobby’s via een Duitse vennootschap in hun beider voordeel te combineren, maar dat loopt niet af zoals gehoopt. De Brit maakt namelijk in totaal € 400.000 over naar diverse bankrekeningen voor de aankoop van een Porsche die later weer wordt doorverkocht. Hij denkt daarna het bedrag, dat hij tijdelijk even uit het zicht wilde houden, weer terug te zien, maar een kwart miljoen wordt nooit overgemaakt. Aankloppen bij zijn vriend helpt niet en een rechtszaak volgt.
De rechter oordeelt echter dat er nergens een overeenkomst bestaat waarin is vastgelegd dat de Nederlander in privé nog tweeënhalve ton schuldig is omdat de Brit de auto eerst van hem heeft gekocht en de transactie later is teruggedraaid.
Maar de verbolgen Porsche-koper doet bij het gerechtshof nog een poging: zijn Nederlandse vriend heeft zich ongerechtvaardig verrijkt via zijn persoonlijke holding, stelt hij. Hij is daarvan € 249.000 rijker geworden. Het gerechtshof vindt dat daarvoor het Duitse recht leidend is, aangezien er een Duits bedrijf in het spel was. Zeven jaar later is het dan eindelijk van een uitspraak gekomen, die onlangs is gepubliceerd.
Wat is er gebeurd?
De zaak draait om een Porsche, die de twee vrienden in 2018 willen inzetten voor een financieel schuifspel. De Nederlandse vriend heeft namelijk goede contacten met een Porsche-dealer en kan aan exclusieve modellen komen. Voorwaarde is wel dat hij Porsches niet binnen de eerste zes maanden na levering verkoopt: de lock-clausule. Een van de te kopen modellen is de Porsche 911 GT2 RS, die hij voor 288.794 euro op de kop kan tikken.
De Brit kent weer een Duitse autohandelaar en in 2018 hebben de drie contact over de haken en ogen van verkoop van de Porsche aan een derde in verband met de lock-clausule. Op dat moment komt het nog niet tot een verkoop.
Kopen en doorverkopen
Vervolgens wordt er een onderneming opgerichten om de Porsche in ‘onder te brengen’. De Brit betaalt twee ton aan de Nederlander en twee ton aan diens persoonlijke holding. Er wordt vervolgens in juli 2018 in Duitsland nog een onderneming opgericht, waar alle betalingen terechtkomen. Daarna is de Porsche besteld als bedrijfsinvestering voor een bedrag van 288.794 euro exclusief btw en BPM.
Vlak daarna spreken beide vrienden af de Porsche door te verkopen aan een derde. Dat gebeurt in december 2018. De onderneming incasseert de koopsom van 385.000 euro.
Kwart miljoen blijft hangen
In januari 2019 wordt de onderneming ontbonden. In de eerste maanden van dat jaar wordt ruim anderhalve ton overgemaakt op een bankrekening van een op Mauritius gevestigde trustmaatschappij van de Brit, omschreven als terugbetaling van een lening. Allemaal volgens plan, want op die manier houdt hij geld uit handen van zijn vrouw, met wie hij in een echtscheiding is verwikkeld. Maar daarna blijven betalingen uit.
Bij zijn vriend kan hij geen privéclaim indienen, want er is geen overeenkomst tot koop en terugverkoop gesloten tussen de twee vrienden, die over de kwestie uitvoerig hebben gecommuniceerd via WhatsApp.
Daaruit blijkt dat de Porsche in een Duitse vennootschap zou worden ondergebracht die door de Nederlander zou worden opgericht en dat de Brit de onderneming later zou overnemen. De constructie was voor de Brit bedoeld als investering en als vehikel om belasting te ontlopen. Voor de geldstromen moesten omschrijvingen worden verzonnen en de twee twijfelen of die waterdicht zijn. Volgens de Brit was de vermeende overeenkomst opgezet omdat de Nederlander zo de substantiële aanbetaling bij de dealer kon bekostigen. Het initiatief voor de aan- en doorverkoop zou volledig bij hem liggen.
Dat acht het hof goed voorstelbaar en “zelfs zeer aannemelijk”. “Dat laat echter onverlet dat [de Brit] óók belang had of kon hebben bij de transactie.”
Verkoopplan onduidelijk
Dat er is overeengekomen om de auto aan een derde te verkopen omdat de Brit de Porsche niet langer wilde overnemen, gaat er bij het hof niet in, zeker gelet op het eerdere standpunt van de Brit dat hij de Porsche had gekocht. “Dan is niet duidelijk waarom hij toen met [de Nederlander] moest ‘overeenkomen’ om de Porsche weer te verkopen.” Hij had dan simpelweg opdracht tot verkoop hebben kunnen geven. “Hetzelfde geldt voor ‘overnemen’. Indien het standpunt van [de Brit] moet worden gevolgd, viel er niets ‘over te nemen’ want de Porsche was dan immers al van hem.”
Het hof ziet niet in waarom de Nederlander had moeten begrijpen dat zijn Britse vriend met hem in privé een rechtsrelatie aanging over de Porsche.
Vergeten aandelenoverdracht te regelen
Feitelijk is dus vier ton geparkeerd in Duitsland, omgezet in een Porsche en later weer teruggekomen door de verkoop. Alleen is nog maar anderhalve ton teruggekeerd op rekeningen van de Brit. “Kern van het probleem is dat partijen over het hoofd hebben gezien dat [de Brit] de aandelen in [de Duitse BV] van [de Nederlander] zou overnemen, en dat zij (kennelijk) zijn vergeten dat te regelen voordat de Porsche weer werd verkocht, althans dat zij toen geen nadere afspraken hebben gemaakt over hoe om te gaan met de aandelen in [de Duitse BV]”, vat het hof samen in 2024. Voorlopig staat de Engelsman met lege handen.
Kosten niet onderbouwd
Maar heeft de Nederlander onrechtmatig gehandeld en zich ongerechtvaardigd verrijkt door de tweeënhalve ton van de Duitse BV naar zijn eigen beheermaatschappij over te maken? Dat moet worden afgemeten aan Duits recht. In de vervolgzaak, die een jaar later speelt, kan de Nederlander niet goed onderbouwen welke kosten uit zijn eigen holding zijn gemaakt voor de Porsche. Dat zijn accountant te traag reageert op informatieverzoeken, is geen excuus, vindt het hof, want de man wist al een paar jaar dat hij op enig moment openheid van zaken zou moeten geven.
De Nederlander stelt zo’n € 177.000 te hebben overgeboekt omdat hij in 2020 vreesde vanwege Covid niet meer te kunnen beschikken over de financiële middelen van de BV. Dat slikt het hof niet, onder meer omdat die lening niet is teruggestort na de pandemie. Dat gebeurde pas nadat de zaak onder de rechter kwam.
Accountantskosten niet verklaard
Het hof neemt uitgebreid de bij- en afschrijvingen door die hebben plaatsgevonden van die persoonlijke holding en stuit onder meer op niet-verklaarbare accountantskosten. “Accountants plegen facturen te sturen. Waarom deze niet in het geding zijn gebracht is niet duidelijk. [De Nederlander] heeft niet toegelicht wat de aanleiding was voor het inschakelen van de accountant, welke opdracht is gegeven, wat de werkzaamheden inhielden en ten behoeve van wie de werkzaamheden zijn verricht.”
Zonder rechtsgrond overgemaakt
In totaal is voor ruim € 60.000 aan de onderneming onttrokken door de Nederlander. Dat moet hij terugbetalen aan de Brit. Maar daar blijft het niet bij: “Nu [de Nederlander] het kennelijk in zijn macht heeft om € 173.000 zonder duidelijk rechtsgrond over te maken aan [zijn persoonlijke holding] valt niet in te zien waarom hij dat bedrag niet zou kunnen overmaken aan [de Brit].” En dat moet hij doen, vindt het hof. “Het hof merkt nog op dat dit onverlet laat dat als de accountant hiervan melding moet maken bij de autoriteiten, het niet de bedoeling is van het hof om dat te voorkomen; de accountant dient in dit opzicht te doen wat hij volgens zijn beroepsregels nodig acht.”
Uiteindelijk ziet de Brit na jaren dus nog ruim € 233.000 terug van het voor de Porsche betaalde geld.


Geef een reactie