Nederland is een uitgesproken thuiswerkland. Naar schatting vijf miljoen mensen werken geregeld of af en toe thuis, verhoudingsgewijs meer dan in enig ander Europees land. Wel is er een duidelijke kentering: werkgevers willen meer grip op waar hun personeel werkt. Twee of drie vaste kantoordagen worden steeds gewoner. Tegelijkertijd groeit het inzicht dat thuiswerken niet voor iedere werknemer dezelfde voordelen heeft.
Het nieuwe normaal
In 2025 bood 81 procent van de Nederlandse bedrijven de mogelijkheid om op afstand te werken. Ongeveer 60 procent van de werknemers kon daar daadwerkelijk gebruik van maken. Sinds 2022 zijn die percentages nauwelijks veranderd. Ter vergelijking: in 2012 bood nog maar 60 procent van de bedrijven werken op afstand aan en kon 22 procent van de werknemers dat daadwerkelijk doen. Sinds de coronapandemie is thuiswerken veel meer normaal geworden. En dat verandert niet.
Werkgevers trekken teugels aan
Wat wél verandert, is de houding van werkgevers. Tijdens en vlak na corona lag het accent op vrijheid: medewerkers konden vaak zelf bepalen waar zij hun werk deden. Inmiddels willen werkgevers vaker vastleggen wanneer personeel op kantoor verschijnt. Uit onderzoek van werkgeversvereniging AWVN bleek dat 59 procent van de ondervraagde werkgevers het verplichte aantal kantoordagen had verhoogd of van plan was dat te doen. Meestal komt de kantoorverplichting neer op twee tot drie dagen per week. In recenter berichtgeving wordt gemeld dat 78 procent van de werkgevers inmiddels een minimale aanwezigheid verlangt, vaak twee dagen per week.
Hybride
Grote bedrijven lopen daarbij voorop. ING vraagt werknemers minimaal twee dagen per week naar kantoor te komen. ABN Amro wil nog verder gaan en in de cao vastleggen dat werknemers meer dan de helft van hun werkweek op kantoor doorbrengen. Ook buiten de financiële sector zijn werkgevers de afgelopen jaren strenger geworden. De trend is daarmee niet zozeer van thuis naar kantoor, maar van vrijblijvend thuiswerken naar gereguleerd hybride werken.
Lege kantoren
Werkgevers noemen daarvoor verschillende redenen. Vooral de samenwerking, de bedrijfscultuur en het inwerken van nieuwe werknemers baren zorgen. Een beginnende medewerker die thuis achter zijn laptop zit, kan minder gemakkelijk even een vraag stellen, ziet minder goed hoe ervaren collega’s hun werk aanpakken en heeft minder informeel contact. Uit AWVN-onderzoek blijkt dat werkgevers juist dat als een belangrijk probleem ervaren: als weinig collega’s aanwezig zijn, weten nieuwkomers moeilijker bij wie ze terechtkunnen en voelen ze minder binding met de organisatie.
Werknemer wil niet terug
Tegelijk willen veel werknemers hun verworven vrijheid niet kwijt. Thuiswerken scheelt reistijd, geeft meer autonomie en maakt het gemakkelijker werk en privé te combineren. Volgens CNV-onderzoek zegt 83 procent dat thuiswerken de werk-privébalans verbetert en ervaart 73 procent daardoor minder werkstress. Een meerderheid zegt thuis bovendien productiever te zijn.
Krappe arbeidsmarkt
Vooral in een krappe arbeidsmarkt kunnen werkgevers die voorkeur niet gemakkelijk negeren. Thuiswerken is in sommige sectoren feitelijk een arbeidsvoorwaarde geworden. Werkgevers die de regels te sterk aanscherpen, lopen het risico dat werknemers vertrekken. En daar zit een van de opvallendste ontwikkelingen van de afgelopen jaren: werkgever en werknemer kijken anders naar de functie van thuiswerken. Voor veel werknemers is flexibiliteit een voordeel dat ze niet meer willen inleveren. Werkgevers kijken steeds nadrukkelijker naar de gevolgen voor de organisatie als geheel.
Keerzijde
Een trend is ook dat de discussie over de voor- en nadelen van thuiswerken verandert. Aanvankelijk ging het vooral productiviteit en de angst dat werknemers thuis minder doen dan op kantoor. Anno 2026 is de aandacht meer naar sociale en psychologische effecten verschoven. Een in 2026 in Science gepubliceerde langlopende Amerikaanse studie wijst op een verband tussen thuiswerken en minder sociaal contact, stress en eenzaamheid. Vooral alleenwonenden blijken kwetsbaar. Bij alleenwonende thuiswerkers steeg de kans om een hele dag zonder sociaal contact door te brengen tot 83 procent. Meer dan de helft van de thuiswerkers voelde zich minder verbonden met collega’s.
Nieuwe paradox
Ook de grens tussen werk en privé blijkt ingewikkelder dan aanvankelijk gedacht. Thuiswerken geeft werknemers meer vrijheid, maar kan er tegelijkertijd toe leiden dat ze langer doorwerken. Onderzoekers spreken zelfs van een ‘flexibiliseringsparadox’: werknemers kunnen geneigd zijn extra hard of buiten reguliere tijden te werken om te laten zien dat hun thuiswerkvrijheid gerechtvaardigd is. Dat heeft ook gevolgen voor werkgevers. Hun verantwoordelijkheid voor een gezonde werkplek houdt niet bij de voordeur van het kantoor op. Zij zijn eveneens verantwoordelijk voor een ergonomisch verantwoorde thuiswerkplek en moeten letten op psychosociale belasting. Onderzoek laat bovendien zien dat thuiswerkers vaker langere en onregelmatigere werkdagen maken.
Juridische grenzen
Werkgevers kunnen hun personeel ondertussen niet zonder meer terug naar kantoor roepen. Nederland kent weliswaar geen wettelijk recht op thuiswerken, maar bestaande afspraken kunnen niet altijd eenzijdig worden veranderd. Dat bleek onder meer in procedures tegen Asus en Caterpillar. Asus mocht zonder instemming van de ondernemingsraad het aantal thuiswerkdagen niet terugbrengen van drie naar twee. Caterpillar liep eveneens tegen de rechter aan toen het bedrijf thuiswerken zonder overleg met de ondernemingsraad wilde afschaffen. Opvallend daarbij is dat thuiswerken nog relatief weinig formeel geregeld is. Ongeveer één op de vijf collectieve regelingen bevat afspraken over thuiswerken. Die gaan bovendien vaker over een thuiswerkvergoeding of inrichting van de werkplek dan over het verplichte aantal kantoordagen.
Verder van het werk wonen
Thuiswerken heeft intussen effecten die veel verder reiken dan de arbeidsverhouding. Werknemers hoeven niet langer vijf dagen per week in de buurt van hun werkgever te wonen. Daardoor wordt een baan in Amsterdam of Utrecht ook aantrekkelijk voor iemand die veel verder weg woont. Onderzoek van Rabobank laat bijvoorbeeld zien dat werknemers in Groot-Amsterdam en Utrecht steeds vaker uit verder gelegen delen van het land komen. Thuiswerken maakt die grotere afstand overbrugbaar. Dat vergroot voor werknemers het geografische gebied waarin ze naar banen kunnen zoeken, maar betekent omgekeerd dat regionale werkgevers bij de werving van personeel opeens concurreren met bedrijven aan de andere kant van Nederland.
Hybride wordt de norm
Een volledige terugkeer naar het kantoor van vóór 2020 lijkt dan ook weinig waarschijnlijk. Daarvoor is thuiswerken te veel ingeburgerd. Maar ook het idee uit de coronajaren dat werknemers vrijwel volledig zelf kunnen bepalen waar zij werken, verliest terrein. De zoektocht gaat nu naar een nieuw evenwicht. Werkgevers willen voldoende mensen tegelijk op kantoor om samenwerking, opleiding en bedrijfscultuur mogelijk te maken. Werknemers willen de rust, tijdwinst en autonomie van thuiswerken behouden.


Geef een reactie