Een ondernemer houdt zich bezig met de aankoop, herontwikkeling en exploitatie van onroerende zaken. Op 28 mei 2019 koopt hij een monumentaal woon-winkelpand met op de begane grond een winkelruimte en op de eerste en tweede verdieping een woning. Hij verhuurt de winkelruimte met omzetbelasting. Een jaar later krijgt hij van de gemeente een omgevingsvergunning voor het realiseren van zes appartementen boven de winkelruimte. De verbouwing leidt niet tot het ontstaan van een nieuw goed.
In de getekende huurovereenkomsten blijkt dat de ondernemer aan de huurders een volledig ingerichte en gemeubileerde zelfstandige woonruimte tegen betaling van een huurprijs verhuurt. De appartementen zijn voorzien van kunst en beschikken over een compleet inventarispakket. De huurprijs is inclusief een bedrag voor meubilering, stoffering, inventaris, gas, water, elektra, servicekosten, tv, internet, maandelijkse schoonmaak en gemeentelijke heffingen. Alle huurovereenkomsten zijn voorzien van een huurdersverklaring waarin de huurders verklaren dat sprake is van tijdelijk verblijf en dat zij het middelpunt van hun maatschappelijk leven niet naar het appartement verplaatsen.
Voorbelasting volledig in aftrek gebracht
In de aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2021 tot en met het tweede kwartaal van 2022 brengt de ondernemer de voorbelasting op de verbouwingskosten volledig in aftrek. De inspecteur weigert de teruggaven omzetbelasting en legt naheffingsaanslagen op. De inspecteur stelt dat de verhuur is vrijgesteld en geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting. Voor rechtbank Zeeland-West-Brabant is in geschil of de toekomstige verhuur van de appartementen belast is en of de intentie om de appartementen te verhuren voldoende is voor aftrek van voorbelasting.
Short-stay-uitzondering
Van de vrijstelling van omzetbelasting voor verhuur van onroerende zaken, zo overweegt de rechtbank, is uitgezonderd de verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen, die daar slechts voor een korte periode verblijf houden. Deze verhuur valt onder de zogenoemde short-stay-uitzondering. Deze verhuur is belast en daarbij is het verlaagde tarief van toepassing. Deze uitzondering is in de Btw-richtlijn omschreven als ‘het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen’.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Blasi geoordeeld dat het begrip ‘sectoren met soortgelijke functies’ ruim moet worden uitgelegd. Het arrest verzekert dat het tijdelijk verstrekken van accommodatie op overeenkomstige wijze als in het hotelbedrijf, dat potentieel daarmee concurreert, aan belasting wordt onderworpen. De voorwaarde van kort verblijf is een passende voorwaarde om te bepalen of de activiteit overeenstemt met de essentiële functie van een hotel, te weten het tijdelijk verstrekken van accommodatie in het kader van een commerciële relatie.
Wanneer sprake van kort verblijf?
De rechtbank stelt dat niet in de wet OB en ook niet in een andere bepaling een criterium is opgenomen om vast te stellen wanneer sprake is van kort verblijf. De staatssecretaris van Financiën heeft hierover een standpunt ingenomen dat de aard en de duur van het verblijf bepalend zijn voor de vraag of sprake is van ‘verblijf voor een korte periode’. Als de gasten feitelijk maximaal zes maanden in deze accommodatie verblijven, is volgens de staatssecretaris in ieder geval sprake van een ‘verblijf voor een korte periode’ in een accommodatie binnen het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf.
Anders dan de inspecteur stelt, voert de ondernemer aan dat hij met de verhuur van de appartementen voorziet in de verhuur van accommodatie die is gericht op de markt waar ook hotelbedrijven of gelijksoortige bedrijven zich op richten. Hij is daarin concurrerend met het hotelbedrijf. De ondernemer stelt dat de verhuur van de appartementen vergelijkbaar is met de verhuur van hotelaccommodatie. De appartementen worden tijdelijk verhuurd en de huurder wordt, net als een hotelgast, volledig ontzorgd. En er wordt telkens voor een periode van vier tot zes maanden verhuurd. Omdat de appartementen zeer luxe zijn afgewerkt is het voor de ondernemer alleen rendabel om de appartementen op deze wijze kortdurend te verhuren.
De inspecteur stelt dat niet in concurrentie wordt getreden met hotel- en vakantiebestedingsbedrijven, omdat de ondernemer niet de kenmerken van een hotel-, pension- of vakantiebedrijf bezit. Een verhuur van vier tot zes maanden is volgens hem niet gebruikelijk binnen het hotel- of vakantiebestedingsbedrijf. Bovendien sluit kortdurende verhuur ook niet aan bij de doelgroep die op de website van de ondernemer wordt aangesproken, namelijk jonge carrièremakers en gesettelde levensgenieters.
Verstrekte accommodatie is concurrerend met hotelbedrijf
Voor de rechtbank staat vast dat de appartementen voor korte duur (maximaal 6 maanden) verhuurt worden, dat de appartementen volledig zijn gemeubileerd en voorzien van alle uitrusting waardoor een huurder het appartement direct kan gebruiken. En het staat vast dat de huurder niet is belast met de zorg voor de inventaris. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat de ondernemer accommodatie verstrekt die concurreert in de markt van hotel- en vakantiebestedingsbedrijven.
De conclusie is dat de ondernemer met de verhuur van de appartementen concurreert met het hotel- en vakantiebestedingsbedrijf en daardoor valt onder de short-stay-uitzondering zodat de verhuur belast is.
De rechtbank is van oordeel dat de ondernemer op grond van de wet recht op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting heeft, voor zover de aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen. Daarvoor moet hij het voornemen hebben om het desbetreffende bedrijfsmiddel te gebruiken voor belaste handelingen. Als dat bestaan van het voornemen geen punt van discussie is, zoals in dit geval, is daarmee het recht op aftrek van voorbelasting dus gegeven, aldus de rechtbank.
De naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd en de ondernemer heeft recht op aftrek voorbelasting op de verbouwingskosten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2024:4370


Geef een reactie