Een dga is 100% aandeelhouder en bestuurder van een BV die zich bezig houdt met de exploitatie van een verhuur- en aannemingsbedrijf, cultuurtechniek, grondverzet, een agrarisch bedrijf en een uitzendonderneming. Op 31 juli 2021 dient de BV een aangifte omzetbelasting in over het tijdvak 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 waarin wordt verzocht om een teruggaaf omzetbelasting van € 5.040,-. De verzochte teruggaaf heeft betrekking op twee facturen van een rechtsbijstandverlener.
Status als slachtoffer UHT
De dga heeft zich in privé laten bijstaan door advocaten om een erkende status te verkrijgen van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen als slachtoffer. De advocaten schetsen het beeld dat het gezien de complexiteit van de zaak en de eindeloze stroom aan acties en represailles onmogelijk is om een algeheel beeld te geven van de alle werkzaamheden. En dat de status van de dga als slachtoffer onder druk van de Belastingdienst klaarblijkelijk weer wordt ingetrokken. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op van € 5.040,- waarop de BV in beroep gaat bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank overweegt dat op de ondernemer de last rust om aannemelijk te maken dat hij terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting in aftrek heeft gebracht. In beginsel is het overleggen van de desbetreffende facturen hierbij voldoende. De bewijslast voor het recht op aftrek van voorbelasting rust op de BV.
Bijstand dga in civielrechtelijke procedures
De inspecteur stelt dat de facturen zien op werkzaamheden die door de rechtsbijstandverlener in het kader van het verlenen van bijstand in strafrechtelijke, civielrechtelijk en fiscale procedures ten behoeve van de dga zijn verricht. De inspecteur stelt verder dat de diensten geen betrekking hebben op activiteiten van de BV en dat door de BV niet inzichtelijk is gemaakt dat de facturen door haar zijn betaald. Volgens de inspecteur is het aan de BV om aannemelijk te maken dat de in rekening gebrachte omzetbelasting voor aftrek in aanmerking komt.
De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving op de factuur van de door de rechtsbijstandverlener verrichte diensten blijkt dat de rechtsbijstandsverlener in ieder geval ook werkzaamheden heeft verricht die rechtstreeks en enkel betrekking hebben op de dga in privé. Omdat de BV niet heeft aangegeven welke werkzaamheden ten behoeve van haar en welke ten behoeve van haar dga zijn verricht, heeft de BV daarbij niet aannemelijk gemaakt dat de omzetbelasting op de facturen (deels) als vooraftrek in aftrek kan worden gebracht.
Op de zitting heeft de BV ook niet kunnen toelichten wanneer de facturen zijn betaald, welke betalingsafspraken er zijn gemaakt en hoe de verrekening met nog openstaande en nog niet verrekende facturen heeft plaats gevonden. Daarom komt de in rekening gebrachte omzetbelasting van € 5.040,- op de facturen dan ook niet voor aftrek van voorbelasting in aanmerking.
Klokkenluidersrichtlijn
De rechtbank merkt nog op dat de BV er in haar stukken en op de zitting uitvoerig op heeft gewezen dat de dga melder is van misstanden ter zake van openbare middelen en dat de dga daarmee bescherming geniet, of moet genieten, op grond van de zogenoemde Klokkenluidersrichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat ook de BV die bescherming ten deel moet vallen. Het al dan niet hebben van een status van klokkenluider is niet relevant voor de zuivere fiscale vraag of de omzetbelasting op de facturen voor aftrek in aanmerking komt. Het zijn van een klokkenluider creëert immers geen recht op aftrek van voorbelasting.
Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat er geen verplichting is tot het verwijzen van een zaak naar de meervoudige kamer van de rechtbank of tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en verwijst nog naar artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet OB over de bewijslast.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2025:23988


Geef een reactie