De wet introduceert een tegenbewijsregeling waarmee belastingplichtigen kunnen aantonen dat hun werkelijke rendement op spaargeld en beleggingen lager is dan het forfaitaire rendement waarover belasting wordt geheven in box 3. De regeling beoogt daarmee tegemoet te komen aan uitspraken van de Hoge Raad, waarin werd geoordeeld dat het heffen van belasting over een fictief rendement in strijd is met het eigendomsrecht wanneer het werkelijke rendement lager is. Het wetsvoorstel is bedoeld als tijdelijke voorziening in aanloop naar de structurele invoering van een systeem gebaseerd op werkelijk rendement, die gepland staat voor 2028.
De senaat stemde eveneens over twee moties — over het fiscaal aantrekkelijker maken van verhuur en verduurzaming van woningen — die beide zijn verworpen. Staatssecretaris Van Oostenbruggen had deze moties ontraden.
Kritische column
Ondertussen wijst fiscalist Eric van Uunen in een column bij Taxlive flinke kritiek op het wetsvoorstel. In de Wet tegenbewijsregeling box 3 is op meerdere punten afgeweken van de bedoeling van de Hoge Raad en is de uitvoerbaarheid uit het oog verloren, schrijft hij. Van Uunen hekelt onder meer dat belasting wordt geheven over waardestijgingen van vastgoed na verkoop maar vóór levering, dat koersverschillen op buitenlandse rekeningen onuitvoerbaar worden belast, dat boeterente bij herfinanciering niet als rente wordt erkend, en dat er inconsistentie is bij het belasten van vooruitbetaalde rente.
Ook vindt hij het onbegrijpelijk dat vastgoed dat niet feitelijk wordt gebruikt toch wordt belast alsof het persoonlijk voordeel oplevert, dat kosten alleen via constructies zoals certificering (STAK) effectief aftrekbaar zijn, en dat er een onrechtvaardige en tijdelijk verhoogde vastgoedbijtelling geldt zonder aftrek van kosten. Bovendien acht de fiscalist het praktisch onhaalbaar om investeringsgerelateerde waardestijgingen van vastgoed buiten de heffing te houden door middel van obscure WOZ-beschikkingen, en vindt hij het inconsequent dat vorderingen en schulden tussen natuurlijke personen op nominale waarde moeten worden gewaardeerd, terwijl marktwaardeveranderingen juist wel belast of aftrekbaar zijn.
Debat Eerste Kamer
Tijdens het plenaire debat in de Eerste Kamer klonk deze week brede steun voor het beginsel van rechtsherstel, maar de praktische uitwerking ervan gaf ook aanleiding tot scherpe kritiek. Diverse fracties, waaronder de ChristenUnie, GroenLinks-PvdA en D66, benadrukten de spanning tussen rechtsstatelijke beginselen en uitvoeringsproblemen. Senator Holterhues (ChristenUnie) waarschuwde voor een regeling die feitelijk niets oplost, mede vanwege de beperkte capaciteiten bij de Belastingdienst. Senator Crone (GroenLinks-PvdA) noemde het “onbegrijpelijk” dat belastinggeld richting de meest vermogenden gaat, en pleitte voor een rechtvaardiger bijdrage van vermogenden aan collectieve voorzieningen. Senator Moonen (D66) stelde vragen over de toegankelijkheid van de regeling voor financieel minder vaardige belastingplichtigen.
Kritiek kwam ook van tegenstanders van de wet, waaronder de fracties van PVV, JA21, BBB, 50PLUS en Fractie-Kemperman. Senator Van Strien (PVV) noemde de regeling een “gevaarlijke wet” vanwege de omkering van de bewijslast en de ongelijke behandeling van belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt. Senator Heijnen (BBB) betwijfelde of de regeling budgettair en juridisch houdbaar is, terwijl senator Van Rooijen (50PLUS) stelde dat verhuren door deze regeling onrendabel wordt.
De VVD-fractie steunde de wet, maar noemde de regeling in de woorden van senator Van der Linden slechts “een pleister, geen genezing”. Het CDA gaf aan dat er nog steeds geen sprake is van werkelijk rechtsstatelijk herstel, omdat ook ongerealiseerde vermogenswinsten worden belast. FVD steunde het wetsvoorstel als voorlopige verbetering, maar wees op de noodzaak van duidelijkheid over de uiteindelijke hervorming in 2028.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen erkende de tekortkomingen, maar benadrukte dat de wet een noodzakelijke stap is. De belastingheffing in box 3 is sinds de eerste uitspraak van het Hof in 2015 “stuk”, en met deze wet wordt tijdelijk rechtsherstel geboden in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad. “We repareren het een beetje en dan is het weer stuk. En zo is het jaar na jaar gegaan.” Hij kondigde aan dat voor een ordentelijke uitvoering nog nadere regels volgen, onder meer over het genietingstijdstip, schuldendrempels, vrijstellingen en waarderingsregels.
Met de aanneming van het wetsvoorstel ligt de bal nu bij de Belastingdienst, die alle verzoeken om tegenbewijs zal moeten beoordelen. Tegelijkertijd blijft de structurele hervorming van box 3 een politiek en technisch dossier van de lange adem.


Natuurlijk is het aan genomen. Die groot geld verdieners in de eerste en tweede kamer hebben er namelijk alleen maar voordeel van.
De grootgeldverdieners en huisjesmelkers hebben vaak hun huizen in een b.v. ondergebracht en vallen dus helemaal niet in box 3.
Het gaat hier juist om gewone mensen, die door jarenlang hard werken bijvoorbeeld een tweede huisje hebben kunnen kopen. Velen moesten nu zelfs gedwongen verkopen omdat de onterechte belasting in box 3 niet te betalen was.
Beste Anne, mensen met zomerhuisje voor eigen gebruik, is geen beleggingspand waar men huuropbrengsten uit haalt en zou dan lager belast moeten worden. Tevens kunnen Box 3 problemen 2017 t/m 2020 voor mensen die (nagenoeg) alleen spaargeld hebben, terugbetaald worden d.m.v. de al herziene, gecorrigeerde percentages over deze jaren. Dat kan snel gebeuren omdat alle benodigde gegevens al jaren bekend zijn volgens de definitieve aanslag. Voor de belasting een gigantische vermindering qua werkdruk en werkzaamheden. De oorzaak is het veel te hoge percentage dat over die jaren berekend werd en zelfs bekend was bij de overheid en toch werd deze belasting ten onrechte opgelegd en daardoor veel te veel spaargeld werd afgepakt. De opvolgende jaren 2021 en 2022 hebben ze ook ambtshalve gecorrigeerd en de teveel betaalde belasting terugbetaald. Gedupeerden worden weer anders/ongelijk behandeld d.m.v. de tegenbewijsregeling.
Voor de groep mensen met ( hoofdzakelijk) spaargeld zou er dan zou er eindelijk EEN probleem opgelost zijn.
Ambtshalve volgens de gecorrigeerde bankrente etc. terugbetalen en als mensen vinden dat ze alsnog te hoog zijn aangeslagen, die zouden dan alsnog het werkelijk rendement op kunnen geven.