In 2006 ontvangt een vrouw een schenking van € 4.000.000,- van haar echtgenoot die in 2007 overlijdt. Op 10 juni 2019 ontvangt de inspecteur informatie dat de vrouw in het verleden beschikte over in het buitenland aangehouden en niet in Nederland aangegeven vermogen. In het kader van deze inkeerregeling bevestigt de vrouw in augustus 2019 dat er een schenking heeft plaatsgevonden.
De inspecteur stuurt de vrouw in 2020 een aangifteformulier schenkbelasting dat door de vrouw oningevuld en niet ondertekend geretourneerd wordt. Vervolgens legt de inspecteur de aanslag op voor een verkrijging van € 4.000.000,- en een te betalen bedrag aan schenkbelasting van € 1.019.463,-. Omdat de inspecteur haar bezwaarschrift afwijst stelt de vrouw beroep in bij de rechtbank Noord-Holland.
Akte van overlijden van schenker of begiftigde
De rechtbank overweegt dat volgens artikel 11, derde lid, van de Awr de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van artikel 66, eerste lid, onder 2, van de Sw gaat de in artikel 11, derde lid, van de Awr gemelde termijn van drie jaren voor de schenkbelasting, ingeval geen aangifte is gedaan, in na de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de schenker of van de begiftigde in de registers van de burgerlijke stand. Of wanneer meer dan vier maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden aangifte is gedaan, na de dag van die aangifte.
Omdat geen aangifte is gedaan vervalt die bevoegdheid tot het vaststellen van die aanslag. De rechtbank overweegt verder dat de wettekst niet voorschrijft dat wordt aangesloten bij het overlijden van de schenker of de begiftiger. Dit betekent volgens de rechtbank niet dat als er geen aanslag wordt opgelegd naar aanleiding van het eerste overlijden, de inspecteur daarom niet langer bevoegd is een aanslag op te leggen.
Parlementaire behandeling wetswijziging
In een advies van de Raad van State, tijdens de parlementaire behandeling van de wetswijziging van 2010 die heeft geleid tot aanpassing van artikel 66, eerste lid, onder 2, van de SW constateert de Raad dat de verjaringstermijn voor de schenkbelasting bij natuurlijke personen pas aanvangt bij het overlijden van schenker of begiftigde en daarmee tientallen jaren kan lopen. Deze termijn lijkt erg lang, maar is terecht voor die gevallen waarin van de schenking niet eerder aangifte is gedaan. Daarom gaat de termijn alleen in gevallen waarin geen aangifte is gedaan pas lopen na overlijden van de schenker of begiftigde.
De verlegging van het startmoment van de termijn is ingegeven door het feit dat de inspecteur, als er geen aangifte schenkbelasting wordt gedaan, niet op de hoogte komt van een schenking. Bepalend daarvoor is het moment dat de inspecteur op de hoogte komt van die schenking. Als binnen drie jaar na (het inschrijven van de akte van) het eerste overlijden van een schenker of van een begiftigde niet van een schenking is gebleken dan kan van een schenking alsnog later blijken, zowel voor als na (het inschrijven van de akte van) het tweede overlijden en kan op grond daarvan een aanslag worden opgelegd.
Inspecteur wist bij overlijden niet van schenking
In dit geval staat het voor de rechtbank vast dat in 2006 geen aangifte is gedaan van de schenking en dat de inspecteur niet vóór 10 juni 2019, twaalf jaar na het overlijden van de schenker, op de hoogte is gesteld van de schenking. Het is niet gebleken dat de inspecteur al bij het overlijden van de schenker wist of kon weten van de schenking. In dat geval is er geen reden aan te sluiten bij de overlijdensdatum van de schenker. Omdat de vrouw nog in leven is, is de termijn van artikel 11, derde lid, van de Awr, naar het oordeel van de rechtbank niet op grond van artikel 66, eerste lid onder 2, van de Sw aangevangen met (het inschrijven van de akte van) het overlijden van de schenker. Dat betekent dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag nog niet was verstreken toen de aanslag werd vastgesteld en dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door de inspecteur nog niet was vervallen.
De vrouw kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank en stelt hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam. Daarin stelt zij dat de inspecteur niet bevoegd was om een aanslag schenkingsrecht op te leggen omdat de verjaringstermijn daarvoor is gaan lopen bij het overlijden van de schenker in 2007, terwijl de aanslag pas is opgelegd in 2022. De vrouw is van mening dat zowel naar de tekst van artikel 66, lid 1, onder 2, SW als naar de bedoeling van de wetgever de verjaringstermijn voor het opleggen van de aanslag aanvangt bij het eerste overlijden van de schenker dan wel de begiftigde.
Opleggen aanslag steeds mogelijk?
De inspecteur stelt dat de wetgever voor de verjaringstermijn aansluiting heeft gezocht bij de feitelijke handeling van het overlijden van de schenker of de begiftigde. In het geval er een schenking heeft plaatsgevonden en er geen aangifte is gedaan, is de verjaringstermijn, volgens hem, gekoppeld aan het overlijden van de begiftigde of van de schenker. De verjaring begint daarom niet te lopen bij het overlijden van een van hen, maar het opleggen van een aanslag is, als er geen aangifte is gedaan, steeds mogelijk als een van hen is overleden.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de tekst van artikel 66, lid 1, onder 2, SW zich niet anders laat lezen dan dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment van het eerste overlijden van de schenker of begiftigde. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze tekst zo zou moeten worden gelezen dat het zou gaan om het overlijden van de schenker en de begiftigde. Daarbij overweegt het hof dat de wetgever dan eenvoudig voor een andere redactie had kunnen kiezen.
Verjaringstermijn gaat lopen bij overlijden schenker
Een dergelijke lezing, waarop het standpunt van de inspecteur is gebaseerd, vindt naar het oordeel van het hof ook geen steun in de wetsgeschiedenis. Daarin is namelijk geen andere bedoeling of uitleg te lezen dan uit de tekst van de wetsbepaling zelf volgt. Dat in de wetsgeschiedenis wordt erkend dat de verjaringstermijn mogelijk pas na een lange termijn aanvangt, maakt dit niet anders, aangezien dit zich evenzeer kan voordoen indien wordt uitgegaan van het eerste overlijden van de schenker of de begiftigde.
Het hof concludeert daarom dat de verjaringstermijn voor het opleggen van de aanslag is aangevangen met het overlijden van schenker in 2007, en dat de inspecteur geen bevoegdheid meer toekwam om de aanslag in het recht van schenking op te leggen. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee vernietigd en het hoger beroep van de vrouw is gegrond.
Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2025:2358


Wat vragen oproept is of na het overlijden van de partner, de schenker de juiste fiscale aangiften zijn gedaan waardoor dit, ten onrechte niet afgedragen vermeende bedrag van 1 mln, Eerder aan het licht zou zijn gekomen.
Dan lijkt het erop dat bewust achterhouden van vermogen al dan niet in het buitenland, wanneer niet opgemerkt door de belastingdienst, alsnog zeer lopend is…?