Een (onderneming) vof die sinds 2005 actief was als assurantietussenpersoon wordt ingebracht in een BV die in december 2018 is opgericht. Op 1 juli 2019 verkoopt de BV de onderneming aan een coöperatie voor een bedrag van € 914.800,-. In de koopovereenkomst is een relatiebeding opgenomen en non-concurrentiebeding dat geldt binnen een gebied van 20 kilometer rondom het kantooradres van de BV.
Werkzaamheden voor coöperatie
In de koopovereenkomst is ook bepaald dat de coöperatie met de directeur van de BV een samenwerkingsovereenkomst voor een jaar zal sluiten waarbij de directeur werkzaamheden ten behoeve van de coöperatie zal verrichten. De directeur voert tot 1 juni 2020 werkzaamheden uit voor de coöperatie. In oktober 2020 sluit de directeur in privé een overeenkomst van opdracht met een financieel adviesbureau met een coachings- en ondersteuningskarakter.
In haar aangifte Vpb over 2019 vormt de BV een HIR van € 914.800,- ten laste van haar resultaat in verband met de verkoop van de onderneming. In 2022 stelt de inspecteur vragen over de HIR en het herinvesteringsvoornemen. Hij beslist dat er geen HIR kan worden gevormd en verhoogt de winst. De BV probeert haar gelijk te krijgen voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Daarbij stelt de BV zich op het standpunt dat zij een HIR mocht vormen, omdat sprake was van een herinvesteringsvoornemen. Op het moment dat de onderneming aan de coöperatie werd verkocht was de directeur 59 jaar en van plan om via de BV te gaan participeren in een andere onderneming. De BV stelt dat met de coöperatie een beperkt concurrentiebeding overeen is gekomen, dat de directeur nog niet financieel onafhankelijk was en dat de BV het voornemen had om in het financiële adviesbureau te gaan participeren.
BV is geen partij in overeenkomst van opdracht
De inspecteur is van mening dat bij de BV geen concreet herinvesteringsvoornemen bestond en dus geen HIR gevormd kon worden. Hij benadrukt dat het beperkte concurrentiebeding geen concreet herinvesteringsvoornemen aantoont. Ook stelt de inspecteur dat niet de BV maar de directeur partij is in de overeenkomst van opdracht en dat uit deze overeenkomst niet blijkt dat sprake is van een participatievoornemen.
De rechtbank overweegt dat bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel een HIR mag worden gevormd, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat. De rechtbank is van oordeel dat de BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 31 december 2019 het voornemen had om de opbrengst van de verkoop van de onderneming te herinvesteren. Het feit dat de directeur bij de verkoop van de onderneming nog niet financieel onafhankelijk was en dat een beperkt concurrentiebeding is bedongen, maakt nog niet dat sprake zou zijn van een herinvesteringsvoornemen bij de BV.
Geen voornemen om te herinvesteren
Ook uit de overeenkomst van opdracht volgt niet dat sprake was van een herinvesteringsvoornemen bij de BV. Bij de overeenkomst van opdracht op grond waarvan de samenwerking met het financiële adviesbureau tot stand is gekomen, staat niets over een mogelijke participatie in dit bureau of dat de overeenkomst met het oog daarop is gesloten. De BV was geen partij en zij wordt ook niet genoemd; de overeenkomst is aangegaan door de directeur in privé. Uit de aangeleverde stukken volgt vervolgens niet dat in 2019 al is gesproken over de mogelijkheid om te participeren in het financiële adviesbureau.
Pas in de verklaringen van het financiële adviesbureau van september 2022, toen de Belastingdienst al concrete vragen had gesteld over de HIR en het herinvesteringsvoornemen, wordt gesproken over een afspraak dat de directeur de mogelijkheid zou hebben om in het adviesbureau te participeren.
Uit deze verklaring volgt dus niet dat op 31 december 2019 reeds sprake was van een voornemen tot herinvesteren bij de BV. Pas in het verslag van het evaluatiegesprek van 22 november 2022 wordt de BV genoemd als de mogelijke participant. De rechtbank acht dit onvoldoende om aannemelijk te maken dat bij de BV op 31 december 2019 een voornemen tot herinvesteren bestond. Dat leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur het vormen van de HIR terecht niet heeft geaccepteerd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2025:8593


Geef een reactie