Het inmiddels beruchte Kerstarrest heeft de fiscale wereld behoorlijk op zijn grondvesten doen schudden. De Hoge Raad heeft de heffing in box 3 op basis van forfaitaire rendementen in strijd met de mensenrechten verklaard indien dit meer dan het werkelijk rendement betreft.
Overbruggingswet
Inmiddels hebben we een overbruggingswet, die opnieuw uitgaat van forfaits, de Wet tegenbewijsregeling én het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement, die – als alles ongehinderd doorloopt – per 1 januari 2028 zou moeten ingaan. Binnen één belastingjaar kunnen hierdoor meerdere stelsels aan de orde zijn. Geen wonder dus als je de draad kwijtraakt. Wat wel een grote verbetering is, is dat zelfs onze overheid nu spreekt over een fictieve heffing. In het verleden reageerden belastinginspecteurs weleens zeer geprikkeld als je suggereerde dat hier sprake was van heffing over niet bestaande, ofwel fictieve inkomsten!
Misverstand 1: waarde vermogensbestanddeel per 31-12 jaar 1 is gelijk aan waarde per 01-01 jaar 2
Wij zijn gewend om te denken vanuit de leer van balanscontinuïteit en binnen die leer is het bovenstaande volstrekt logisch en zelfs noodzakelijk. Zo niet binnen box 3, en dan met name binnen de zogenoemde tegenbewijsregeling.
Voorbeeld
Een duidelijk voorbeeld, rechtstreeks ontleend aan de vragen en antwoorden op de site van het Forum fiscaal dienstverleners, is het volgende. Om de waardestijging in (stel) 2022 van een verhuurde woning te bepalen, heb je de volgende gegevens nodig:
- Maandhuur per januari 2022, stel € 1.000.
- WOZ-waarde 2022 (met peildatum 01-01-2021), stel € 300.000.
- Maandhuur per januari 2023, stel € 1.100.
- WOZ-waarde 2023 (met peildatum 01-01-2022), stel € 320.000.
- Berekening waarde per 1 januari 2022: de jaarhuur is 12*€ 1.000 = 12.000. Dit gedeeld op de WOZ-waarde ad € 300.000 geeft een ‘rendement’ van 4%. Voor 2022 gold dan een leegwaarderatio van 62%. De waarde per 1 januari is dus € 186.000
- Berekening waarde per 31 december 2022: de jaarhuur is 12*€ 1.100 = € 13.200. Dit gedeeld op de WOZ-waarde ad € 320.000 geeft een ‘rendement’ van 4,125%. Voor 2022 gold dan een leegwaarderatio van 67%. Waarde per 31 december is dus € 214.400. De in aanmerking te nemen waardestijging bedraagt dan € 28.400.
In het voorbeeld wordt bewust gekozen voor het jaar 2022, omdat in 2023 de leegwaarderatiotabel is versoberd.
- Berekening waarde per 1 januari 2023: de jaarhuur is 12*€ 1.100 = € 13.200. Dit gedeeld op de WOZ-waarde ad € 320.000 geeft een ‘rendement’ van 4,125%. Voor 2023 gold dan een leegwaarderatio van 95%. Waarde per 1 januari 2023 is dan € 304.000.
De waarde per 1 januari 2023 is dus € 89.600 hoger dan de waarde per 31 december 2022. Dit is echter niet een belaste waardestijging, want voor de vermogensaanwas wordt steeds alleen de leegwaarderatiotabel van het betreffende jaar gebruikt. In 2022 is de waardestijging door het verschuiven van de regel in de tabel wel belast. Deze wordt veroorzaakt door de hogere huur. Het bijzondere daarbij is dan wel dat de huur van januari 2023 moet worden gebruikt!
Misverstand 2: Je bent te laat om je klant over box 3 voor 2026 te adviseren – peildatum al verstreken
We zijn gewend om ons in box 3 te focussen op de peildatum (1 januari van het belastingjaar). Alles wat op die datum tot het vermogen behoort, wordt meegenomen in de forfaitaire heffing. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat dit ook het hele jaar tot het box-3-vermogen heeft behoord. De enige uitzondering daarop is het jaar van emigratie. Wanneer je kiest voor werkelijk rendement is dit echter volstrekt anders.
Voorbeeld
Een klant heeft relatief laag renderende beleggingen in box 3. Hij overweegt om deze over te brengen naar zijn bv. Hij is zich bewust van de mitsen en maren, maar de enige vraag voor jou als adviseur is of dit nog nut kan hebben voor 2026.
Stel: de waarde per 1 januari bedroeg € 1.000.000. Het verwachte werkelijk rendement is € 40.000. Dit rendement bestaat uit opbrengsten plus waardestijgingen en wordt evenredig gespreid over het jaar ontvangen/behaald. Afgezien van heffingsvrij vermogen, bedraagt het forfaitair rendement 2026 hierover 6%, ofwel € 60.000. De box-3-heffing is dan 36% van € 60.000 = € 21.600.
Stel nu dat hij deze beleggingen per 1 maart (alsnog) inbrengt in de bv, waardoor het rendement vanaf die datum dus belast wordt binnen die bv. Op basis van het forfaitaire stelsel blijft de heffing in box 3 echter € 21.600. Er treedt dus dubbele heffing op. Stellen we de heffing in de bv op het gecombineerde tarief van 19% plus 24,5%, dan bedraagt die afgerond 39% over € 33.333 = € 13.000. De totale heffing is dan € 34.600 bij een werkelijk rendement van € 40.000! Dit zouden we voorheen dus nooit adviseren.
Maar kiest jouw klant voor heffing op basis van werkelijk rendement, dan wordt in box 3 slechts geheven over de ontvangen/behaalde opbrengst in deze 2 maanden, in dit geval € 6.667. De heffing hierover is 36%, ofwel € 2.400. De totale heffing in box 3 plus de bv is dan € 15.400. Dit is nog steeds aanzienlijk lager dan de forfaitaire heffing in box 3. Uiteraard wordt het voordeel later in het jaar steeds kleiner.
Misverstand 3: ik heb geen rechtsingang als mijn werkelijk rendement volgens de spelregels van de OWR hoger is dan het forfaitaire rendement
Het uitgangspunt van de tegenbewijsregeling is dat je alleen in aanmerking komt voor tegenbewijs als het werkelijke rendement over jouw totale vermogen lager is dan het forfaitaire rendement over dat vermogen. Bij buitenlands vastgoed kan dit kan echter anders zijn. Tot onze verbazing, en feitelijk in weerwil van de duidelijke tekst van artikel 5.25 van de Wet tegenbewijsregeling, heeft de staatssecretaris in zijn brief van 18 december 2025 namelijk te kennen gegeven dat wordt gekeken naar de belastingheffing ná vermindering dubbele belasting. Het heeft in deze gevallen dus wel nut om het formulier in te dienen, als het (hogere) werkelijke rendement met name is toe te rekenen aan het buitenlandse onroerend goed.
Voorbeeld
Jouw klant heeft een box-3-vermogen van € 1.000.000 per 1 januari. De helft daarvan zijn overige bezittingen binnen Nederland met een werkelijk rendement ad € 20.000. De andere helft is een vakantiewoning in Spanje met een waarde van € 500.000 en een werkelijk rendement ad € 60.000.
Op basis van het forfait bedraagt de box-3-heffing 6% van € 1.000.000 = € 60.000*36% = € 21.600. Hiervoor wordt een vermindering dubbele heffing toegekend ad € 500.000/1.000.000 = € 10.800. Te betalen in Nederland: € 10.800. Op basis van werkelijk rendement is de heffing 36% van € 80.000 = € 28.800. De tegemoetkoming is nu echter € 60.000/€ 80.000 * € 28.800 = € 21.600, waarna een heffing in Nederland resteert ad € 7.200. Ondanks een flink hoger werkelijk rendement is de heffing dus aanzienlijk lager bij een beroep op tegenbewijs.
Misverstand 4: de forfaitaire regeling op basis van rechtsherstel is alle jaren gelijk, met uitzondering van de hoogte van de forfaits
Helaas, ook hier zitten weer kleine afwijkingen in. Denk maar eens aan:
- waarde lidmaatschap VvE;
- saldo op derdengeldrekening notaris;
- onderlinge vorderingen en schulden partners; of
- onderlinge vorderingen en schulden ouders en minderjarige kinderen.
Met ingang van 1 januari 2023 mogen de eerste twee worden opgegeven onder banktegoeden en worden de laatste twee gedefiscaliseerd als ze in dezelfde aangifte staan. Dat geldt echter uitdrukkelijk niet voor de oude jaren. Als je een OWR voor 2022 (of eerder) invult, moet je deze dus nog volgens de oude regels opnemen!
Box-3-land volop in beweging
In box-3-land is niets meer wat het lijkt. Per jaar kunnen andere spelregels gelden. Ook moeten we vaste denkpatronen loslaten, terwijl we proberen zowel het verleden, het heden alsook de toekomst van de box-3-heffing voor onze klanten te minimaliseren.
Tip
Wil je jouw box-3-kennis actualiseren volg dan het webinar Hoe bepaal ik het werkelijk rendement? Tijdens dit webinar krijg je antwoord op veel inhoudelijke vragen over het bepalen van het werkelijke rendement.
Mr. Mariëtte Rodenburg RB is als fiscalist en trainer verbonden aan Fiscount.


Hoeveel belasting moet ik betalen als de waarde van mijn portefeuille in 2027 stijgt van € 52000. – naar € 90000.- En ik neem daar niets uit op. En in 2028 daalt de waarde naar 70000.- Wat krijg ik dan terug van de fiscus?