Een BV is een holdingmaatschappij die diverse deelnemingen houdt en investeringen verricht. Een van die deelnemingen exploiteert een cafetaria en ijssalon en huurt een pand inclusief inventaris van de holding. De aandelen van beide BV ‘s zijn middellijk in handen van dezelfde persoon, die ook via een andere BV bestuurder is van beide. De inspecteur merkt de holding en nog twee andere entiteiten aan per 1 december 2020 aan als fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Na bezwaar verwijdert de inspecteur één BV uit de fiscale eenheid omdat volgens hem geen sprake was van economische verwevenheid.
Over financiële verwevenheid is geen discussie
In hoger beroep is in geschil of de beschikking fiscale eenheid omzetbelasting ten aanzien van de holding en de cafetaria-BV door de inspecteur terecht is gegeven. Niet in geschil dat sprake is van financiële verwevenheid tussen de holding en de cafetaria-BV. Voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch betoogt de holding dat geen organisatorische verwevenheid aanwezig is. Daarvoor ontbrak volgens de holding, vanwege omstandigheden, de feitelijke exploitatie. Er is geen bestuur gevoerd over de cafetaria-BV waardoor een gezamenlijke leiding ontbreekt, aldus de holding.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 7, lid 4, Wet OB de in die bepaling bedoelde personen en lichamen als één ondernemer worden aangemerkt indien zij in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een (fiscale) eenheid vormen. Personen die juridisch gezien zelfstandig zijn, maar financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, zijn tezamen als één belastingplichtige aan te merken.
Bij de beantwoording van de vraag of de, voor een fiscale eenheid vereiste nauwe verwevenheid bestaat, moeten de banden van financiële, organisatorische en economische aard in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Waar het om gaat is dat de betrokken personen, ondanks hun juridische zelfstandigheid, in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanige banden hebben dat kan worden gezegd dat zij als eenheid – en dus als één ondernemer, een zelfstandige economische activiteit uitoefenen. De voorwaarde van nauwe verwevenheid vereist niet dat een verhouding van ondergeschiktheid bestaat.
Als een eenheid functionerende leiding
Het hof verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 22 februari 1989 waarin is geoordeeld ‘dat voor verwevenheid in organisatorisch opzicht is vereist dat de betrokken personen onder een gezamenlijke, althans als een eenheid functionerende, leiding staan, dan wel de leiding van de ene persoon ten opzichte van die van de andere persoon in een positie van feitelijke ondergeschiktheid verkeert’.
Voor ‘een gezamenlijke, althans als eenheid functionerende, leiding’ is niet vereist dat binnen de groep personen de gezamenlijke leiding bij één persoon berust. Een gezamenlijke leiding kan ook bestaan wanneer tussen de betrokken personen zodanig nauwe banden in bestuur en leiding bestaan dat zij tezamen het bestuur en de leiding voeren.
Naar het oordeel van het hof is hier sprake van organisatorische verwevenheid tussen de holding en de cafetaria-BV omdat dezelfde bestuurder via een tussenholding de leiding heeft over beide vennootschappen en geen andere personen bij de feitelijke leiding betrokken zijn. Dezelfde bestuurder kan voor beide vennootschappen het interne beleid met betrekking tot de te volgen strategie maken en eigenhandig commerciële en organisatorische beslissingen nemen voor beide vennootschappen.
Niet verwaarloosbare economische betrekkingen
Het hof is van oordeel dat ook in economisch opzicht sprake is van verwevenheid. Voor het hof staat het vast dat de holding tegen vergoeding een pand en inventaris verhuurt aan de cafetaria-BV. Daarmee heeft de holding een omzet van € 35.000,- met prestaties aan de cafetaria-BV behaald terwijl de totale omzet € 103.051,- bedraagt. Gelet op de totale omzet van de holding, zo overweegt het hof, kan wellicht niet worden gezegd dat de activiteiten van de holding in hoofdzaak ten behoeve van de andere vennootschap worden uitgeoefend. Maar wel is sprake van niet-verwaarloosbare economische betrekkingen tussen de twee vennootschappen.
Omdat deze twee ondernemers in financieel en organisatorisch opzicht nauw verweven zijn, komt het hof tot de conclusie dat zij een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen. Dit betekent dat de beschikking fiscale eenheid voor de holding en de cafetaria-BV terecht door de inspecteur is gegeven. Daarom is het hoger beroep ongegrond.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2025:3540


Wat was het belang, een omzetbelasting schuld die nu op de holding verhaal kon worden?