Een in 2008 opgerichte BV koopt in die periode tot en met 2016 ongeveer 200 woningen in gedateerde staat die na aankoop worden gerenoveerd volgens een standaardconcept en vervolgens verkocht. Bij de renovaties werkt de BV steeds met dezelfde architect, vaste opvolgende aannemers en laat de BV de woningen opknappen met gebruikmaking van standaardmaterialen. De BV schakelt een vaste bouwbegeleider in die beschikbaar is voor vragen en die de opleveringscontrole doet. De BV bepaalt de conceptontwikkeling, materiaalsturing en projectaanwijzingen.
BV met aannemer gelijkgesteld
In juni 2017 kondigt de inspecteur een boekenonderzoek aan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 februari 2012 tot en met 31 december 2012 en over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016. Het boekenonderzoek wordt afgerond met een controlerapport waarna de inspecteur de conclusie trekt dat de BV op grond van artikel 12, lid 5, van de Wet OB met een aannemer moet worden gelijkgesteld. De inspecteur is van mening dat de BV een zogenaamde ‘eigenbouwer’ is, en dat daarom de verleggingsregeling van toepassing is op de diensten van de aannemer aan de BV. In vervolg daarop legt de inspecteur naheffingsaanslagen omzetbelasting op over de genoemde perioden.
De BV maakt bezwaar tegen de uitspraken van de inspecteur bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB de belasting wordt geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend. In het vijfde lid van artikel 24b van het UBOB is het geval aangewezen waarin de levering bestaat uit een werk van stoffelijke aard dat betrekking heeft op een onroerende zaak dat door een onderaannemer aan een aannemer wordt geleverd. Het derde lid stelt met een aannemer gelijk, degene die het werk uitvoert in de normale uitoefening van zijn bedrijf zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen (de ‘eigenbouwer’).
Renovaties van stoffelijke aard
Voor de rechtbank bestaat geen discussie over de vraag dat de renovaties werken van stoffelijke aard zijn. Bij de vraag of de BV als ‘eigenbouwer’ moet worden aangemerkt gaat het erom of de BV die werken heeft ‘uitgevoerd’ in de zin van artikel 24b, derde lid, van het UBOB. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank niet vereist dat de BV die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk heeft uitgevoerd, maar volstaat het dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij haar berustte. Omdat de inspecteur zich op de verleggingsregeling beroept, rust op hem de last te bewijzen dat de BV de algehele leiding had over de bouwwerkzaamheden.
De rechtbank is van oordeel dat het bij de stellingen van de inspecteur enerzijds gaat over de voorbereiding en het verlenen van opdrachten door de BV aan de aannemers, anderzijds over aspecten die aan de verkoop van de objecten verbonden zijn. Over de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin heeft de inspecteur in wezen niet meer naar voren gebracht, dan dat het gelet op de tijdsbesteding niet anders kan of de BV was daarbij betrokken.
Rechtbank verklaart beroep gegrond
Gelet op hetgeen naar voren is gekomen over de werkwijze van de BV acht de rechtbank aannemelijk dat zij de uitvoering van de met de architect uitgewerkte plannen aan de aannemer heeft kunnen overlaten. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de inspecteur niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de betrokkenheid van de BV bij de bouw in betekende mate verder ging dan die van een ‘gewone’ opdrachtgever en verklaart daarom de beroepen van de BV gegrond.
Het hoger beroep van de inspecteur dient voor het gerechtshof Den Haag. Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij de BV berust. Het hof overweegt dat de werkwijze van de BV erop was gericht om gedateerde panden te moderniseren volgens een standaardconcept. De BV schrijft voor welke materialen en kleuren gebruikt moeten worden om het pand in de mal van het standaardconcept te gieten. Daarbij gebruikt de BV materialen, zoals deuren, die door een gelieerde vennootschap in bulk worden ingekocht, zodat de kosten laag gehouden kunnen worden. Door steeds samen te werken met dezelfde personen was het voor de BV mogelijk de feitelijke uitvoering van het standaardconcept, na afstemming met de architect uit te besteden aan de vaste aannemers.
Rol BV gaat verder dan normale opdrachtgever
Het hof is van oordeel dat de BV bij de renovaties een meer omvattende rol heeft dan een ‘normale’ opdrachtgever omdat zij haar eigen technische en organisatorische kennis inzet om de renovaties tot het naar haar gewenste resultaat te brengen. Ook heeft de BV haar kennis en ervaring gebruikt om een standaardconcept te ontwikkelen voor renovaties die op al haar panden kan worden toegepast. De bemoeienis van de BV met de renovaties, onder andere bij het uitdenken van het standaardconcept, de aanwijzingen volgens dit concept aan de architect en de aannemer en de inkoop van materialen via een gelieerde BV heeft steeds een professioneel karakter gehad.
Uitvoering renovaties uitbesteedt
De renovaties waren immers gericht op de commerciële, op winst gerichte doelstelling van de BV. Kennis van zaken met betrekking tot de (inkoop van de) te gebruiken renovatiematerialen en hetgeen gerenoveerd dient te worden alsmede de wijze waarop om een woning aantrekkelijk te maken voor een koper moet noodzakelijk zijn geweest. Dat de BV het standaardconcept met haar (organisatorische) kennis de feitelijke uitvoering uitbesteedt aan vaste aannemers maakt daarbij niet uit. Dit betekend niet dat de BV haar overkoepelende betrokkenheid bij de uitwerking van het concept en de daarbij behorende renovaties uit handen heeft gegeven.
Het is voor het hof duidelijk dat de BV de algehele leiding heeft met betrekking tot de renovaties. Gelet op de regelmaat waarmee de BV renovaties van de woningen liet uitvoeren behoorden deze tot haar normale bedrijfshandelingen. Het hof komt tot de conclusie dat de BV eigenbouwer is in de zin van artikel 24b UBOB. Daarom is de verleggingsregeling van toepassing op de diensten van de aannemers, waarmee het hoger beroep van de inspecteur slaagt.
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:888


Geef een reactie