Een man is, samen zijn echtgenote, sinds 2015 eigenaar van een woning. Daarvoor sluit hij bij de bank een annuïtaire lening van € 1.500.000,- af, De looptijd van de lening bedraagt 360 maanden en heeft als einddatum 31 augustus 2045. In 2019 en 2020 sluit de man, die enig aandeelhouder en bestuurder is van een BV, twee leningen af bij zijn eigen BV van elk € 300.000,-. De leningen hebben een contractuele looptijd van 30 jaar en een annuïtaire aflossingsverplichting. De leningen worden gebruikt om de lening bij de bank af te lossen. Alle leningen zijn in januari 2022 volledig afgelost via een dividenduitkering.
De inspecteur corrigeert de aangegeven eigenwoningrente van 2019 (€ 2.014,-) en 2020 (€ 8.942,-). Voor 2019 legt de inspecteur de dga een navorderingsaanslag IB/PVV op en voor 2020 legt hij de aanslag op. In geschil voor de rechtbank Gelderland is of de rente bij de leningen van de BV aftrekbaar is als eigenwoningrente.
Te lange doorlooptijd afgesproken
De dga stelt dat de leningen weliswaar zijn aangegaan voor een periode van 30 jaar, maar dat dat niet fataal is omdat de looptijd van de lening nog niets zegt over wat gedurende de looptijd daadwerkelijk zal gebeuren voor wat betreft de aflossingen. Er staat bij het aangaan van de lening immers nog niet vast hoe lang de daadwerkelijke looptijd zal zijn. De inspecteur stelt doordat een te lange doorlooptijd is afgesproken geen sprake kan zijn van een eigenwoningschuld.
De rechtbank overweegt dat onder eigenwoningschuld wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige die zijn aangegaan in verband met een eigen woning. Daarbij geldt een contractuele verplichting tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen in de zin van artikel 3.119c. Als een schuld tijdens de looptijd voor hetzelfde of een lager bedrag wordt vervangen door een nieuwe schuld, geldt dat de looptijd van de nieuwe contractuele verplichting nog maximaal de resterende looptijd van de voorgaande schuld mag zijn.
Eigenwoningschuld niet aannemelijk gemaakt
De rechtbank is van oordeel dat de dga voor de twee leningen niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een eigenwoningschuld. De leningen zijn feitelijk een voortzetting van de lening bij de bank. In de overeenkomsten bij de leningen is een looptijd opgenomen van 360 maanden, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de reeds verstreken looptijd van de lening bij de bank.
Opgeteld is de looptijd van de desbetreffende leningen dus langer dan 360 maanden. De dga is bij de berekening van de annuïteit voor de leningen eveneens van een looptijd van 360 maanden uitgegaan, zonder daarbij rekening te houden met de reeds verstreken looptijd van de lening bij de bank. Daarmee wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 3.119c, derde lid, van de Wet IB 2001.
Eerdere aflossing niet relevant
De dga stelt nog tevergeefs dat de leningen in 2022 via verrekening met een dividenduitkering zijn afgelost en dat daardoor de maximale termijn van 360 maanden uiteindelijk niet is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat voor de vraag of sprake is van een eigenwoningschuld de contractuele verplichting leidend is. Op basis van de contractuele verplichting is in 2019 en 2020 geen sprake van eigenwoningschulden. Dat eerder afgelost is, is hiervoor niet relevant.
De rechtbank verklaart het beroep van de dga ongegrond en oordeelt dat de inspecteur de renteaftrek terecht heeft geweigerd; de navorderingsaanslag 2019 en de aanslag 2020 zijn terecht opgelegd.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2026:995


Geef een reactie