Daarvan zal meestal alleen sprake zijn als de werkgever of een aan de werkgever verbonden partij als koper van de aandelen optreedt. Bij bad-leaverclausules waarbij een werknemer bij uitdiensttreding zijn aandelen (of rechten daarop) moet terugleveren tegen een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer rijst de vraag: wat de fiscale gevolgen daarvan zijn? Op 9 april 2026 heeft de Kennisgroep van de Belastingdienst hierover een standpunt gepubliceerd met kenmerk KG:003:2026:4 waarvan ik mij afvraag of dit kennisgroepstandpunt in lijn is met de wet, wetsgeschiedenis en de rechtspraak. Het standpunt gaat over de gevolgen voor een werknemer aanmerkelijk belanghouder.
Inhoud van het kennisgroepstandpunt
In het gepubliceerde kennisgroepstandpunt ging het om werknemer X die een aandelenpakket met een waarde van € 1.000.000 om niet had verworven in de werkgever Z b.v. Er is toen een loonvoordeel van € 1.000.000 in aanmerking genomen.
Vermoedelijk gaat dit kennisgroepstandpunt over een aanmerkelijk belang wat de werknemer in de werkgever heeft verkregen, ook al staat dit niet met zoveel woorden in het kennisgroepstandpunt. Voor het begrip van het kennisgroepstandpunt ga ik daar hierna wel van uit.
Vervolgens gaat de werknemer na enkele jaren uit dienst en is hij op grond van een contractuele bad leaver bepaling verplicht om de aandelen om niet in te leveren aan de werkgever. De waarde in het economisch verkeer van de aandelen bedraagt op dat moment € 5.000.000. X neemt het bedrag van € 5.000.000 als negatief loon in box 1 in aanmerking.
De kennisgroep geeft aan dat op grond van artikel 4.12, onderdeel b, Wet inkomstenbelasting 2001 het terugleveren van de aandelen tot een vervreemdingsvoordeel leidt. Op grond van artikel 4.20 Wet IB 2001 bedraagt de overdrachtsprijs € 5.000.000, En is het vervreemdingsvoordeel volgens de kennisgroep € 4.000.000, zijnde € 5.000.000 minus € 1.000.000.
Fictiebepaling van artikel 4.22 Wet IB 2001 breekt de werknemer op
Ook al heeft de werknemer de verplichting om zijn aandelen om niet in te leveren, volgens de kennisgroep wordt een opbrengst gerealiseerd van € 5.000.000. Vermoedelijk is dit gebaseerd op het bepaalde in artikel 4.22 Wet IB 2001, ook al verwijst de kennisgroep daar niet naar. Op grond van dit artikel wordt de opbrengst verhoogd naar de waarde in het economische verkeer als een tegenprestatie ontbreekt of bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. Deze bepaling is bedoeld om bij een aandelenoverdracht met een onzakelijke prijsvorming bijvoorbeeld in de familiesfeer, het vervreemdingsvoordeel waarover inkomstenbelasting verschuldigd is te kunnen corrigeren. Ook een transactie met niet gelieerde partijen, maar waar het hanteren van een lagere koopsom uit zakelijk oogpunt verdedigbaar is, werkt dit wetsartikel door en corrigeert de opbrengst zo heeft de rechter al eens bepaald. Voor zo een situatie zou gedacht kunnen worden aan het verkopen van aandelen aan een belangrijke leverancier, waarbij met een lagere koopsom genoegen wordt genomen omdat de leverancier belangrijk is voor de onderneming.
Zuiver naar de letter van de wet lijkt het door de kennisgroep ingenomen standpunt juist. Dat betekent dat de werknemer een voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten van € 4.000.000, € 5.000.000 minus € 1.000.000. Daarover zou dan 31% inkomstenbelasting in box 2 verschuldigd zijn (het lage 24,5%-tarief laat ik buiten beschouwing). Uiteindelijk zou dan € 1.240.000 aan inkomstenbelasting verschuldigd zijn.
Wetsgeschiedenis zegt wat anders dan de kennisgroep
Toch denk ik dat het standpunt van de kennisgroep niet correct is. Dit omdat hier miskent wordt dat artikel 4.22 Wet IB 2001 eerder in de Wet inkomstenbelasting 1964 was gecodificeerd in artikel 20c, vierde lid. Uit de wetsgeschiedenis van dat artikel blijkt dat deze wetsbepaling bedoeld is om lekkages in aanmerkelijk belangheffing te voorkomen in het geval van schenkingen en verervingen van aandelen. Dus aandelenovergangen binnen de familiesfeer. Omdat de werking van artikel 4.22 Wet IB 2001 op dezelfde wijze is geformuleerd is de werking ook hetzelfde als die onder de Wet IB 1964. In de situatie van het kennisgroepstandpunt is geen sprake van een familieband, dus is op grond daarvan zou er geen correctie moeten plaatsvinden.
In deze situatie gaat het om een geval waarbij een werknemer de aandelen om niet moet inleveren omdat aan de voorwaarden uit de bad leaver bepaling is voldaan. Daarmee is er naar mijn mening geen sprake van een bevoordelingsbedoeling van de werknemer als overdrager naar de werkgever. Om die reden zou het correctiemechanisme van de opbrengst naar waarde in het economische verkeer hier niet moeten plaatsvinden.
Waarde in het economische verkeer van de aandelen geen € 5 miljoen
Tot slot zou ook betoogd kunnen worden dat onder de gemaakte afspraken tussen de werkgever en werknemer over de aandelenparticipatie dat de waarde in het economische verkeer van de aandelen voor de werknemer bepaald moet worden vanuit die werknemer gezien. In deze situatie heeft de werknemer aandelen om niet verkregen en is over het loonvoordeel loonheffingen ingehouden en afgedragen. De werknemer heeft de aandelen verkregen onder bepaalde voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat de aandelen weer om niet moeten worden ingeleverd als de werknemer als bad leaver uit dienst treedt. Dat betekent dat de aandelen naar mijn mening in deze situatie een verlies opleveren van € 1.000.000 in box 2, zijnde de opbrengst van € 0 minus het fiscale opgeofferde bedrag van € 1.000.000 (dit is het loonvoordeel geweest bij de toekenning van de aandelen).
Gevolgen voor de loonheffing van om niet inleveren aandelen
De gevolgen in de loonheffingen zullen niet ter discussie zullen staan gezien de uitspraak van de Hoge Raad over het negatieve loon in de situatie bij het moeten inleveren van aandelen bij het uit dienst treden op grond van een schriftelijke overeenkomst. Op grond van een uitspraak van de Hoge Raad van 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:635 vormt het verschil tussen de beurswaarde van aandelen op het moment van het uit dienst treden en de opbrengst die gerealiseerd wordt op grond van de bad leaver bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst negatief loon.
Verliesverrekening
Dat betekent dat op grond van het rekenvoorbeeld de werknemer een negatief loon heeft van € 5.000.000. Dat box 1 verlies kan niet verrekend worden met het eventuele voordeel in box 2 van € 4.000.000. Verliesverrekening voorkomt de box 2 heffing niet.
Conclusie
Op grond van voorgaande zijn er verschillende argumenten te noemen waarom het standpunt van de kennisgroep niet correct is. Zou het standpunt wel correct zijn, dan heeft dit een nogal ingrijpend gevolg voor alle gevallen waarin in de aandeelhoudersovereenkomst afspraken zijn gemaakt over de prijsvorming van de aandelen als die gedwongen moeten worden ingeleverd of verkocht voor een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer. In dat geval leidt het tot loonbelastingheffing over een loonvoordeel over € 1 miljoen toen de aandelen
werden verkregen en aanmerkelijk belangheffing over € 4 miljoen bij het inleveren van de aandelen. In welk tempo het negatieve loon er uiteindelijk toe leidt dat via de inkomstenbelasting in box 1 de eerder betaalde inkomstenbelasting over het loonvoordeel en het aanmerkelijk belangvoordeel kan worden gecompenseerd, moet dan afgewacht worden.
Hopelijk wordt het kennisgroepstandpunt snel weer ingetrokken.
mr. Ewoud de Ruiter is belastingadviseur bij 3RRR Belastingadviseurs en verbonden aan Publiq belastingadviseurs.
Werknemersparticipatie biedt kansen, maar vereist fiscale finesse. Door de structuur goed te ontwerpen en de regelgeving te kennen, voorkomt u onaangename verrassingen. Wilt u meer weten? Volg dan de cursus over werknemersparticipatie en lucratief belang op 2 juni 2026 bij Fiscaal Vanmorgen.


Geef een reactie