Volgens het hof zijn de door ABN aangevoerde integriteits-, sanctie- en reputatierisico’s “onvoldoende steekhoudend” om opzegging van de betaalrekeningen te rechtvaardigen.
Fondsen
De zaak draait om drie zogenoemde Upperbrookfondsen, in 2007 opgericht op de Kaaimaneilanden door Libische staatsinvesteringsmaatschappijen. In de fondsen werd destijds ongeveer 700 miljoen dollar aan Libisch publiek geld ondergebracht. Inmiddels vertegenwoordigen zij volgens het hof een waarde van meer dan 1 miljard dollar. Sinds de val van het regime van Muammar Khadaffi in 2011 vallen de fondsen onder VN-sancties die erop gericht zijn het vermogen te behouden voor het Libische volk zolang de politieke situatie in Libië instabiel blijft.
Klant bij ABN Amro
De vermogensbeheerder van de fondsen bankierde sinds 2009 bij ABN Amro. De bank stelde vanaf 2011 vragen over de klantrelatie en nadat het Openbaar Ministerie in 2012 een strafrechtelijk onderzoek was gestart – zonder dat dit tot vervolging leidde – intensiveerde het cliëntenonderzoek. In 2022 legde de bank beperkende voorwaarden op aan de rekeningen van de beheerder en een gelieerde managementvennootschap. Zo mochten slechts beperkte bedragen worden overgemaakt en mocht alleen met specifieke partijen betalingsverkeer plaatsvinden. Volgens ABN werden die voorwaarden meerdere malen overtreden.
Bankrelatie opgezegd
Op 28 oktober 2024 zegde de bank de relaties met de beheerder, de managementvennootschap en de betrokken bestuurder definitief op. Volgens ABN werkten de cliënten onvoldoende mee aan het klantenonderzoek en bestonden er integriteits-, sanctie- en reputatierisico’s. De bank wees onder meer op onduidelijkheid over de werkzaamheden voor de fondsen, mogelijke zelfverrijking en twijfel over de herkomst van het vermogen.
Toetsing aan Wwft
Het hof volgt die redenering niet. Daarbij stelt het voorop dat banken vanwege hun maatschappelijke functie ook tegenover zakelijke cliënten verplicht kunnen zijn een betaalrekening beschikbaar te houden. Zonder betaalrekening is deelname aan het maatschappelijk verkeer en het exploiteren van een onderneming “vrijwel onmogelijk”, aldus het hof, dat verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 over de bancaire zorgplicht bij opzegging van bankrelaties.
Volgens het hof heeft ABN onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij op grond van de Wwft gehouden was de relatie te beëindigen. Dat de bank vragen stelde over de herkomst van het vermogen acht het hof op zichzelf begrijpelijk, maar die twijfel legt volgens het hof “geen gewicht in de schaal”. Daarbij speelt mee dat het gaat om Libisch publiek geld dat uiteindelijk aan het Libische volk toekomt. Ook wijst het hof erop dat ABN de beheerder destijds als klant accepteerde terwijl het Khaddafi-regime nog volledig aan de macht was.
Het hof stelt verder vast dat de beheerder “betrekkelijk uitgebreid” heeft geantwoord op de vele vragen van de bank. Uit de uitspraak blijkt dat de onderneming circa twaalf werknemers heeft en opereert als hedgefondsbeheerder. De bestuurder ontvangt via een gelieerde managementvennootschap een salaris van 10.000 euro netto per maand. De beheerfee bedraagt inmiddels circa 1,8% van het beheerde vermogen. Volgens het hof heeft ABN niet concreet weersproken dat die vergoeding marktconform is.
Ook de vermeende banden met het voormalige Libische regime acht het hof onvoldoende onderbouwd. De bestuurder is weliswaar de schoonzoon van een voormalige prominente Libische politicus, maar dat rechtvaardigt volgens het hof niet de conclusie dat sprake is van strafbaar handelen of onbetrouwbare informatieverstrekking. Het hof merkt bovendien op dat het strafrechtelijk onderzoek nooit tot vervolging heeft geleid.
Het hof oordeelt ook over de beperkende voorwaarden die ABN in 2022 oplegde. Volgens het hof bieden de Algemene Bankvoorwaarden geen grondslag voor eenzijdige aanscherping van contractvoorwaarden zoals betalingslimieten en beperkingen op tegenpartijen. Nu expliciete instemming van de cliënten ontbrak, waren de voorwaarden volgens het hof niet bindend. Dat betekent ook dat van overtreding daarvan geen sprake kan zijn geweest.
Het door ABN aangevoerde reputatierisico houdt volgens het hof evenmin stand. De beheerder vervult slechts een rol bij het beheer van de fondsen, dat bovendien verloopt via onder meer Deutsche Bank als custodian bank en een Nederlandse stichting met een onafhankelijk bestuur. Dat de beheerder een substantiële vergoeding ontvangt, betekent volgens het hof niet dat de fondsen “worden leeggehaald”. Van concrete aanwijzingen voor witwassen of sanctieschendingen is volgens het hof evenmin gebleken.
Bij de belangenafweging weegt zwaar mee dat de cliënten vermoedelijk nergens anders meer terechtkunnen als een bankrelatie op deze gronden rechtmatig zou mogen worden beëindigd. Het hof acht aannemelijk dat andere banken terughoudend zullen zijn zodra integriteits- en witwasrisico’s eenmaal in rechte zijn aangevoerd.
Het hof beveelt ABN daarom de bankrelaties te herstellen en de beperkende voorwaarden op te heffen. Ook mag de bank de betrokkenen niet opnemen op haar interne CAAML-lijst. ABN is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van beide instanties.


Geef een reactie