De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de ondernemer over 2018 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, waardoor omkering en verzwaring van de bewijslast geldt. Het hof vernietigt een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, die de aanslag juist fors had verminderd.
De zaak draaide om een aanslag inkomstenbelasting over 2018. De ondernemer gaf aanvankelijk een belastbaar inkomen uit werk en woning aan van ruim € 103.000. Na een boekenonderzoek corrigeerde de inspecteur dat inkomen naar € 680.774. De rechtbank Noord-Holland ging daar eind 2024 slechts gedeeltelijk in mee en beperkte de correctie uiteindelijk tot onder meer niet-verantwoorde pinbetalingen en privéstortingen, waarmee het belastbaar inkomen uitkwam op € 190.923. Het hof draait dat oordeel nu volledig terug.
Tas met contanten en handgeschreven overzichten
Het fiscale geschil komt voort uit een onaangekondigde waarneming ter plaatse op 18 april 2019 bij twee winkels van de ondernemer. Tijdens die controle troffen medewerkers van Douane en Belastingdienst achter in een winkel een zwarte schoudertas aan. Volgens de bedrijfsleider bevatte die tas “zakjes met geld” die werknemers en de eigenaar bij hem in bewaring hadden gegeven.
In de tas werden niet alleen contanten gevonden, maar ook X-afslagen van kassasystemen, handgeschreven omzetoverzichten, notities over salarissen en bankstortingen en een ringband met maandelijkse financiële overzichten van september 2018 tot en met februari 2019. Op de achterkant van kassastroken stonden handmatige berekeningen. De bedrijfsleider verklaarde tijdens de controle dat hij zich niet meer kon herinneren waarop die aantekeningen betrekking hadden.
Uit later onderzoek concludeerde de Belastingdienst dat sprake was van een “schaduwboekhouding”. Volgens het controlerapport werd een aanzienlijk deel van de winkelomzet buiten de officiële administratie gehouden. Bij één winkel zouden pin- en creditcardbetalingen van ruim € 82.000 volledig buiten de boekhouding zijn gebleven.
Rechtbank zette vraagtekens bij bevoegdheden
De rechtbank Noord-Holland oordeelde eerder dat de administratie ernstige gebreken vertoonde en dat de vereiste aangifte niet was gedaan. Toch vond de rechtbank de omzetcorrectie van de inspecteur onvoldoende onderbouwd. Daarbij speelde mee dat de rechtbank twijfelde aan de rechtmatigheid van de wijze waarop de stukken uit de schoudertas waren verkregen.
Volgens de rechtbank had de inspecteur niet duidelijk kunnen maken op basis van welke bevoegdheid de ruimte achter de winkel was doorzocht. Ook vond de rechtbank onduidelijk wie de handgeschreven overzichten had opgesteld en voor welk doel. Dat de notities deels in het Hindi waren geschreven, terwijl de ondernemer wortels had in een land waar vooral Urdu wordt gesproken, droeg volgens de rechtbank bij aan die twijfel.
Het hof verwerpt die redenering uitdrukkelijk.
Douane mocht tas onderzoeken
Volgens het hof viel het onderzoek van de tas binnen de bevoegdheden van de Douane op grond van artikel 83 Wet op de accijns. De Douane mocht de winkel controleren omdat het vermoeden bestond dat accijnsgoederen aanwezig waren. Het hof leest de wettelijke bevoegdheid om gedeelten van een gebouw “aan onderzoek te onderwerpen” ruim genoeg om ook de inhoud van de aangetroffen tas te bekijken.
Daarnaast benadrukt het hof dat de bedrijfsleider zelf verklaarde bevoegd te zijn om namens de onderneming te spreken. Toen hij meldde dat de tas geld en bezittingen van werknemers en de ondernemer bevatte, mocht de inspecteur volgens het hof aannemen dat zich daarin gegevensdragers bevonden die relevant konden zijn voor de belastingheffing.
Dat de inspecteurs meerdere keren vroegen de tas leeg te maken, maakt dat niet anders. Het hof noemt dat “vasthoudendheid”, maar geen ongeoorloofde druk.
Schaduwboekhouding als fundament voor correctie
Het hof acht vervolgens aannemelijk dat de handgeschreven overzichten daadwerkelijk onderdeel waren van een structureel systeem om omzet af te romen. Daarbij verwijst het hof nadrukkelijk naar verklaringen uit een later strafrechtelijk onderzoek. Zowel de ondernemer als de bedrijfsleider verklaarden dat alleen zij de kassasystemen konden afsluiten en X- en Z-afslagen konden opmaken.
De strafrechter beschreef eerder hoe de werkelijke dagomzet eerst op X-afslagen werd berekend, waarna op de officiële Z-afslagen slechts een lager bedrag werd verwerkt. Daardoor bleef volgens de strafrechter ongeveer de helft van de omzet buiten beeld.
Volgens het hof sluiten die verklaringen aan bij de tijdens het boekenonderzoek aangetroffen administratie. De inspecteur mocht daarom uitgaan van de bedragen uit de schaduwboekhouding en die extrapoleren naar de rest van 2018.
Geen informatiebeschikking, toch omkering bewijslast
Opvallend in de uitspraak is dat het hof expliciet ingaat op de verhouding tussen de administratieplicht van artikel 52 AWR en de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast. Hoewel de inspecteur geen informatiebeschikking had afgegeven, kon volgens het hof toch worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet was gedaan.
Het hof verwijst daarbij naar rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat ernstige administratieve gebreken mede kunnen dienen als onderbouwing voor het oordeel dat een belastingplichtige aanzienlijk te weinig belasting heeft aangegeven.
Volgens het hof waren de afwijkingen tussen de officiële aangiften omzetbelasting en de bedragen uit de schaduwboekhouding zowel absoluut als relatief “zo omvangrijk” dat reeds daarom vaststaat dat de vereiste aangifte niet is gedaan.
Extrapolatie toegestaan
De ondernemer verzette zich ook tegen de extrapolatie van de omzetcorrecties uit de periode september tot en met december 2018 naar de eerste acht maanden van dat jaar. Het hof acht die methode echter redelijk.
Daarbij wijst het hof op overeenkomsten tussen berekeningen op X-afslagen uit 2016, 2018 en 2019. De bedrijfsleider had bovendien tegenover de FIOD verklaard dat de werkwijze in al die jaren hetzelfde was gebleven.
Het hof merkt daarnaast op dat de winkels grotendeels afhankelijk waren van toeristen. Omdat het toeristische hoogseizoen in de zomer valt, acht het hof niet aannemelijk dat de extrapolatie tot een te hoge omzetcorrectie heeft geleid.
De inspecteur had bij de berekening bovendien rekening gehouden met verschillende btw-tarieven en vrijwel alle opgevoerde bedrijfslasten geaccepteerd. Daarmee was volgens het hof sprake van een redelijke schatting van de winst.
Het hoger beroep van de inspecteur slaagt daarom volledig. De oorspronkelijke aanslag blijft in stand.


Geef een reactie