Staatssecretaris Eelco Eerenberg schrijft aan de Tweede Kamer dat eerst duidelijk moet worden welke gevolgen het aangekondigde Europese Omnibusvoorstel heeft voor de earningsstrippingmaatregel.
De discussie volgt op het Belastingplan 2025, waarin een antifragmentatiemaatregel voor de earningsstrippingmaatregel was opgenomen. Die maatregel moest voorkomen dat vastgoedbeleggingen en bijbehorende financieringskosten over meerdere vennootschappen worden verspreid om telkens opnieuw gebruik te maken van de drempel van € 1 miljoen. De Tweede Kamer schrapte die maatregel echter via een amendement.
Verlieslatende vastgoedvennootschappen
Volgens de staatssecretaris blijft de Belastingdienst geconfronteerd worden met “structureel verlieslatende vennootschappen die Nederlands aan derden verhuurd vastgoed houden”. Die verliezen ontstaan doordat huurbaten worden weggestreept tegen afschrijvingen en rentelasten. Daarbij worden volgens het ministerie financieringsstructuren gebruikt waarmee rentelasten worden gecreëerd die veelal eindigen in laagbelastende jurisdicties.
De problematiek wordt vooral gesignaleerd bij private-equitystructuren, buitenlandse staatsbeleggingsfondsen, buitenlandse vastgoedfondsen en buitenlandse pensioenfondsen. De Belastingdienst heeft momenteel “enkele tientallen excessief gefinancierde vastgoedvennootschappen in behandeling”.
Volgens de brief schieten de bestaande renteaftrekbeperkingen tekort. Artikel 10a Wet Vpb 1969 is niet van toepassing omdat de aankoop en het aanhouden van verhuurd vastgoed niet behoren tot de rechtshandelingen waarop die bepaling ziet. De earningsstrippingmaatregel kan volgens het ministerie worden ontweken doordat vastgoed wordt ondergebracht in verschillende zelfstandig belastingplichtige entiteiten die elk onder de drempel van € 1 miljoen blijven.
“De bestaande wettelijke maatregelen werken dus niet adequaat om de aftrekbaarheid van rente ten aanzien van de excessieve financiering van aan derden verhuurd vastgoed te bestrijden”, schrijft Eerenberg. Daardoor resteert volgens hem vaak slechts de “bewerkelijke verrekenprijsbenadering en/of het ultimum remedium van fraus legis”.
Drie beleidsopties onderzocht
In vervolg op een eerder onderzoek heeft het ministerie drie mogelijke maatregelen uitgewerkt.
De eerste optie is het invoeren van een concernbenadering binnen de earningsstrippingmaatregel. Vennootschappen die deel uitmaken van een concern zouden dan geen gebruik meer kunnen maken van de drempel van € 1 miljoen. Volgens het kabinet zou deze maatregel circa 15.000 belastingplichtigen raken, ook buiten de vastgoedsector. Daardoor ontbreekt volgens de staatssecretaris een goede verhouding tussen het beoogde doel en de neveneffecten.
Een tweede optie richt zich specifiek op vastgoedlichamen die met groepsleningen zijn gefinancierd. Voor die groep zou de drempel worden verlaagd van € 1 miljoen naar € 200.000. Volgens de brief zou deze maatregel naar verwachting ongeveer 1.000 belastingplichtigen treffen en een einde maken aan de voordelen van fragmentatie. Tegelijkertijd bestaat er een kans dat de regeling in sommige gevallen “(te) streng uitpakt”, omdat een tegenbewijsregeling ontbreekt.
De derde onderzochte mogelijkheid is een uitbreiding van artikel 10a Wet Vpb 1969. Daarbij zou rente op schulden aan verbonden lichamen of natuurlijke personen in beginsel niet aftrekbaar zijn wanneer die financiering wordt gebruikt voor de aankoop of het aanhouden van aan derden verhuurd vastgoed. Alleen als wordt aangetoond dat geen sprake is van grondslaguitholling, blijft renteaftrek mogelijk.
Volgens het ministerie adresseert deze optie zowel de omzetting van eigen vermogen in groepsleningen als het fragmentatievraagstuk. Wel verwacht het kabinet dat veel belastingplichtigen een beroep zullen doen op de tegenbewijsregeling, waardoor aanzienlijke uitvoeringslasten voor de Belastingdienst ontstaan.
Wachten op Brussel
Een definitieve keuze maakt het kabinet nog niet. De Europese Commissie werkt aan een Omnibusvoorstel dat volgens het ministerie naar verwachting ook gevolgen zal hebben voor de earningsstrippingmaatregel. Omdat de inhoud daarvan nog onbekend is, acht Eerenberg het “niet opportuun om op dit moment een beleidsrichting te kiezen”.
De staatssecretaris zegt de Kamer opnieuw te informeren zodra duidelijk is “in welke mate de earningsstrippingmaatregel al dan niet aangepast wordt” en wat dat betekent voor eventuele maatregelen tegen grondslaguitholling bij vastgoedstructuren.


Geef een reactie