Accountancy Vanmorgen berichtte vorige week al over de geanonimiseerde uitspraak. Daaruit bleek dat de Belastingdienst een aanslag van ruim 35 miljoen euro had opgelegd, terwijl duidelijk had moeten zijn dat die geen stand zou houden. Het FD heeft inmiddels achterhaald om welke onderneming en ondernemers het gaat.
Mendix verkocht aan Siemens
Het Rotterdamse softwarebedrijf Mendix werd in 2018 voor 700 miljoen dollar, destijds ongeveer 628 miljoen euro, verkocht aan Siemens. De drie oprichters bezaten toen samen nog ongeveer dertig procent van de aandelen.
De Belastingdienst begon in maart 2021 een onderzoek naar de fiscale positie van een van de oprichters. De inspecteur vermoedde dat diens aandelen moesten worden aangemerkt als een lucratief belang. Bij zo’n belang kan een aandelenopbrengst in box 1 worden belast wanneer het rendement mede een beloning vormt voor verrichte werkzaamheden.
Een andere oprichter kreeg in december 2022 daadwerkelijk een aanslag opgelegd. De gepubliceerde uitspraak gaat over deze tweede oprichter. De inspecteur rekende ruim 59,6 miljoen euro tot zijn resultaat uit overige werkzaamheden. Dat leidde tot een aanslag inkomstenbelasting van 35.041.639 euro, inclusief 4.068.570 euro aan belastingrente.
Aanslag volledig teruggedraaid
De ondernemer maakte bezwaar tegen de kwalificatie als lucratief belang. In april 2023 kwam de Belastingdienst terug op zijn standpunt. Bij de uitspraak op bezwaar van 1 mei 2025 werd de correctie volledig teruggedraaid en de aanslag verminderd.
De belastingaanslag zelf lag daardoor niet meer voor bij de rechtbank. De procedure ging alleen nog over de vergoeding van de kosten die de ondernemer had gemaakt om zich tegen de aanslag te verweren.
Voor die beoordeling onderzocht de rechtbank wel of de inspecteur de aanslag tegen beter weten in had opgelegd. Dat was volgens de rechter het geval. De ondernemer hield gewone aandelen die in waarde waren gestegen door de groei van het bedrijf. Zijn situatie sloot vrijwel aan bij een voorbeeld uit de wetsgeschiedenis waarin aandelen van een oorspronkelijke investeerder niet onder de lucratiefbelangregeling vallen.
Ook waren de relevante feiten al bekend toen de aanslag werd opgelegd. De inspecteur kon tijdens de rechtszaak geen aanvullende feiten noemen die de gekozen kwalificatie alsnog konden dragen. De rechtbank rekende het de Belastingdienst bovendien aan dat bijna twee jaar geen inhoudelijk overleg met de ondernemer en zijn adviseurs plaatsvond. Door de aanslag dreigde vrijwel zijn gehele vermogen te worden wegbelast.
De rechtbank stelde de vergoeding voor de bezwaarfase vast op 50.000 euro. De eerder toegekende 3.235 euro wordt daarvan afgetrokken. Voor de beroepsprocedure krijgt de ondernemer daarnaast 3.736 euro. Zijn verzoek om vergoeding van ruim 2,2 miljoen euro aan kosten werd afgewezen.
Miljoenen aan gestelde schade
Daarmee is de kwestie nog niet afgerond. Volgens het FD voeren de Belastingdienst en de Mendix-oprichters gesprekken over een schikking. Hun adviseur Willem Vunderink schat de schade op miljoenen euro’s. Het gaat volgens hem om kosten voor juridische en fiscale bijstand en om rendement dat de ondernemers zijn misgelopen doordat zij vermogen beschikbaar moesten houden voor een mogelijke belastingbetaling.
De rechtbank heeft over die aanvullende schade niet geoordeeld. De uitspraak ging alleen over de proceskosten die binnen de bestuursrechtelijke regeling voor vergoeding in aanmerking kwamen.
De Belastingdienst erkent tegenover het FD dat in de zaak fouten zijn gemaakt en heeft de betrokken ondernemers excuses aangeboden. De fiscus zegt met hen te werken aan een passende oplossing. Ook is een expertisecentrum ingericht dat zaken over mogelijke lucratieve belangen extra moet toetsen.
Fiscalisten wijzen er bovendien op dat de regeling niet alleen private-equitymanagers kan raken. Ook oprichters van start-ups en scale-ups kunnen er bij de verkoop van hun onderneming mee te maken krijgen. Omdat zulke geschillen vaak in een schikking eindigen, bestaat weinig jurisprudentie over de precieze grenzen van de regeling.
Bron: FD en Rechtbank Den Haag, 9 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19383.


Geef een reactie